Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar voor het vervolg in mijn proefschrift sprake is van eenheid of scheiding, zonder meer, versta ik deze in de beteekenis, sub 2°. aangegeven, versta ik haar dus niet in politieleen, maar in juridischen zin.

Er bestaat bij vragen van terminologischen aard geen dwingende noodzakelijkheid; het is een zaak van doelmatigheid, welke beteekenis men aan zeker woord of een bepaalde uitdrukking wenscht te hechten. Zoo is het volkomen geoorloofd om, waar de financiën bloot administratief gescheiden zijn, kortweg van scheiding te spreken, en de taal van het dagelijksch leven, die bij voorkeur het zinnelijk waarneembare, het aan de oppervlakte liggende, in woorden uitbeeldt, zal dit zeker doen. Zoo kan het zijn, dat men, schoon in gemeenschap van goederen gehuwd, de inkomsten van zijn aanbreng afzonderlijk boekt en feitelijk gescheiden houdt; zoolang conflicten uitblijven, zal die feitelijke toestand zeer waarschijnlijk meer realiteit hebben dan het wetsvoorschrift, dat het vermogen plaatst onder de regelen der goederengemeenschap. De taal van het dagelijksch leven, voor haar doel en in haar sfeer volkomen terecht, spreekt hier van scheiding. Doch de jurist ziet anders. Hij werkt met begrippen, die, zoolang het vrede is, vaak door de macht der feiten worden overheerscht, doch die hun volle kracht vertoonen, zoodra het er om gaat wettelijk gewaarborgde belangen door rechtspraak gehandhaafd te zien. Dit nu moge verklaren, waarom ik, sprekend van eenheid of scheiding, deze niet opvat in den feitelijken zin van het dagelijksch leven, maar in de juridische beteekenis, die sub 2°. is aangeduid.

Nog in anderen zin komt de uitdrukking: „eenheid of scheiding" voor, nl. in dien van: eenheid of scheiding van kassen. Ook dit is een administratief begrip, dat met onze rechtsvraag niets heeft uit te staan. Daar van eenheid of scheiding in die beteekenis in dit geschrift verder geen sprake meer zal zijn, zal ik hier in het kort vermelden, wat daarmede is bedoeld. Nederland en Nederlandsch-Indië hebben een gemeenschappelijke kas als rechtstreeksch uitvloeisel van het voorschrift, vervat in artikel 33 der Indische comptabiliteitswet, waarbij bepaald wordt, dat de inkomsten van Indië, voorzoover zij in Nederland te innen zijn, in 's Rijks kas worden gestort en dat daaruit de betalingen, die Indië in het moederland te doen heeft, bewerkstelligd worden. Artikel 26 derzelfde wet machtigt

Sluiten