Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de Grondwetten van 1814 en 1815 zal men vergeefs een antwoord zoeken.

De herziening van 1840 zou een argument kunnen leveren ten gunste van de rechtspersoonlijkheid van de koloniën. Ik bedoel het derde lid van artikel 59, luidende: „Het gebruik van „het batig slot, beschikbaar ten behoeve van het moederland, „wordt bij de wet geregeld". Ik wil op deze bepaling geen nadruk leggen, omdat men daarbij aan de vraag, die ons bezighoudt, niet heeft gedacht. Maar toch zou ik willen vragen : hoe was deze bepaling in het stelsel van „eenheid" bestaanbaar? Dan toch zouden de koloniale, in specie Indische uitgaven en inkomsten als uitgaven en inkomsten van het Rijk op de Rijksbegrooting moeten zijn gebracht. Immers, een bepaling als van artikel 60, 2de lid der Grondwet van 1848, waarbij de koloniale geldmiddelen onder een bijzonder recht geplaatst werden, ontbrak. Nu echter dit derde lid van het artikel de bevoegdheid van de wetgevende macht tot het „gebruik" van het batig slot beperkte, zou men daaruit de gevolgtrekking kunnen maken, dat men destijds overtuigd was, niet met Rijks-uitgaven en -inkomsten te doen te hebben ').

Intusschen, de vraag, in hoeverre dit argument opgaat, is sedert 1848 van geen belang meer.

Bij de herziening van 1848 werd in artikel 1 te kennen gegeven, dat het Koninkrijk der Nederlanden ook gebied buiten Europa omvatte. Daar deze bepaling alleen aanwijzing van het territoir bedoelt, zonder de vraag naar de staatsrechtelijke organisatie ook maar eenigszins te praejudicieeren, kunnen wij aan haar voorbijgaan. Bij de bespreking van de argumenten, die de leer van de eenheid van financiën schragen, kom ik trouwens nog op dit artikel nader terug.

') De Negenmannen achtten deze uitbreiding van artikel 59 „de zonderlingste begoocheling, die in eene Grondwet ooit plaats vond." Bijlagen 1844/1845 n". XX, blz. 453. Al ga ik met Thorbecke niet mede, waar hij de uitgaven en inkomsten van „bezittingen" van den Staat voor uitgaven en inkomsten van dien Staat zeiven verklaart, zoo kan ik toch, omdat ik zijn enge opvatting van het „uitsluitende opperbestuur" deel, in het 3Je lid een beperking zien van de oorspronkelijke bevoegdheid der wetgevende macht. Huldigt men de ruime opvatting van dat opperbestuur en neemt men tevens de rechtspersoonlijkheid van de koloniën aan, dan komt men tot de omgekeerde conclusie, namelijk, dat in 1840 de bevoegdheid der wetgevende macht een uitbreiding heeft ondergaan.

Sluiten