Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontwerp verwekten de koninklijke besluiten van 13 en 23 April 1844 scherpe critiek, vooral van de zijde van Thobbecke, die, naar ik meen, bij die gelegenheid niet geheel zichzelf is gebleven. Een wet van 11 Maart 1837 (Stbl. n°. 9) had bij artikel 1 aan de regeering de bevoegdheid verleend, de vijfpercents Oost-Indische losrenten in te trekken naar mate der uitgifte van de aandeelen rentende vier ten honderd, wanneer die uitgifte tegen den koers van 94 ten honderd of hooger zou kunnen plaats hebben. Nu had de regeering bij koninklijk besluit van 13 April 1844 (Stbl. n°. 23) besloten tot het uitgeven van 35000 obligatiën a f 1000 rentende 4 pet. ten laste van 's Rijks overzeesche bezittingen, en het koninklijk besluit van 23 April 1844 (Stbl. n°. 24) bepaalde bij artikel 2, dat evenveel losrenten a 5 pet. zouden worden afgelost als er obligatiën a 4 percent werden geplaatst, en bovendien naar aanleiding van artikel 16 der wet van 6 Maart (Stbl. n°. 14) tien duizend losrenten a f 1000 afgelost zouden worden, waaruit blijkt, dat de regeering de Oost-Indische losrenten als gewone Rijksschuld beschouwde, begrepen in artikel 16.

Het komt mij zeer belangrijk voor, het toen door Thorbkoke gesprokene, voor zoover het op mijn onderwerp betrekking heeft, in zijn geheel over te nemen. Wij lezen op blz. 425 der Handelingen '):

„Bij de besluiten van April is, geloof ik, het regt uit de „wet van 11 Maart 1837 met 'tgeen men uit art. 16 der „wet van 6 Maart afleidde, verward op eene wijs, dat men „verder ging dan beide wetten gedoogden. — Verder dan de „wet van 11 Maart 1837: Trok men de naar de wetten van 1837 „en volg. uitgegeven ry/"-percents losrenten in, dan moest dit „geschieden met de middelen bij die wetten aangewezen, dat „is, met de uitgifte van wer-percents Oost-Indische losrenten, „tot het omschreven bedrag toe. Men mogt daartoe niet beschikken over eenig ander inkomen. •— Verder dan de wet „van 6 Maart jl.: Men leidde uit artikel 16 dier wet een „regt af, dat zij, mijns insziens, niet geeft Dat artikel stelt „niet meer dan een beginsel, waarvan de uitwerking nader „door de wet moest worden geregeld. Ik geloof dit te meer,

') Zie ook van de door Thorrecke zelf uitgegeven parlementaire redevoeringen, deel I, blz. 27 en 28.

Sluiten