Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

provincie en gemeente, ware zij niet bij artikel 125 der provinciale- en artikel 228 der gemeentewet toepasselijk verklaard.

Ondanks dat alles, dat zonder spitsvondigheid bij nauwkeurige lezing uit bet ontwerp is te halen, zegt de memorie van toelichting '): „De Koloniën zijn bezittingen van den „Staat; hare inkomsten zijn in zooverre dus inkomsten „van den Staat." — De minister beroept zich op artikel 242 der Staatsregeling van 1798, artikel 47 der Staatsregeling van 1801, artikel 12 van de Constitutie van 1806: „Ook de „Grondwetten van 1814 en 1815, ofschoon ten deze minder „bepaald, hadden geen ander beginsel ten grondslag."

Welke ook de verdiensten van het ontwerp zijn mogen, en ik acht het geen geringe, dat het vaststelling van de begrooting van uitgaven bij de wet voorschreef, 3) wanneer men het ontwerp beschouwt uit het oogpunt van „eenheid of scheiding", kan consequentie tot die verdiensten niet worden gerekend.

Het voorloopig verslag3) ademt mede een der „eenheid" gunstigen geest. Zoo lezen wij op blz. 1269: „In elk geval „zijn de inkomsten en uitgaven der Koloniën Staatsinkomsten „en Staatsuitgaven. Niet slechts brengen geest en strekking „onzer sedert 1814 vastgestelde Grondwetten mede, dat op „het gebruik der Staatsinkomsten door de Volksvertegenwoordiging een nauwlettend toezigt worde gehouden, maar dat „beginsel is, zoolang Nederland een zelfstandige Staat is geweest, „hier bestendig inheemsch geweest en nooit geheel verloochend. „Teregt is in den laatsten tijd meermalen gewezen op de „ongerijmdheid4), dat de Staten-Generaal jaar op jaar aan de „regeling der Staatsuitgaven, alleen omdat zij in of voor de „Koloniën gedaan worden, geen invloed hoegenaamd kunnen „uitoefenen".

Op blz. 1207: „De wet — zegt de Grondwet — regelt do „wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen ... .Wat is daaronder te begrijpen? Koloniale geld„middelen staan hier tegen de overige geldmiddelen van het „Rijk, als twee afzonderlijke deelen van hetzelfde geheel."

') Bijlagen 1858,1859 n°. L\ III. blz. 512.

*) Artikel 1, 2e lid.

") Bijlagen 1858/1859, blz. 1268—1280.

4) In het stelsel der tweede kamer ware „ongrondwettigheid" een niet te kras woord geweest.

Sluiten