Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fictiën of der verdichting is gaan behooren. De mogelijkheid schijnt niet bij den minister te zijn opgekomen, dat iemand anders dan een particulier schuldeischer zijn kon uit de Indische leening, dat zelfs krachtens de wet geheel iemand anders schuldeischer zijn moest vóórdat de obligatiën of losrenten overgingen in handen van bankiers of particulieren; dat het Rijk in Europa zich voor al zijn (vermeende) opofferingen tot schuldeischer van Nederlandsch-Indië had geproclameerd. Voor zoover de schuld geen plaatsing vond, bleef het Rijk schuldeischer en de praktijk was hier in overeenstemming met de theorie, toen, hoewel bij de conversie het grootste deel der Indische schuld werd ingewisseld tegen 4% inschrijvingen op het grootboek, Nederlandsch-Indië voor de geheele schuld bleef gedebiteerd, gelijk blijkt uit het gedurende twintig jaren handhaven van den rentepost. Het Rijk, de oorspronkelijke schuldeischer, had zich door een soort delegatie weer in dien ouden toestand verplaatst. En gelijk ik reeds gelegenheid had op te merken, daarbij werd ook aan het beginsel, neergelegd in artikel 1453 van het burgerlijk wetboek, voldaan.

Bij koninklijke boodschap van 22 September 1863 werd bij de tweede kamer ingediend het wetsontwerp tot uitvoering van het tweede lid van artikel 60 der Grondwet ^

Wanneer wij het ontwerp even doorloopen, dan treffen ons eenige bepalingen, die op eenheid van financiën schijnen te wijzen.

Zoo bepaalt artikel 5 van het ontwerp: „Tot de dienst van „een jaar behooren b. voor de uitgaven: de regten gedurende ^het jaar der dienst verkregen door de schuldeischers van den [staat" ») enz In artikel 44 lezen wij: „De controle der Al^gemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indië zal zich ook ^uitstrekken over het beheer van het materiaal, dat in 's Rijks 2) "magazijnen, pakhuizen, arsenalen en hospitalen voorhanden ^is." Artikel 52 schrijft voor: „Vóór ultimo December van elk "jaar wordt over het daaraan voorafgaande eene schatkist-

rekening ingezonden: Zij gaan vergezeld..... 2°. van

„een staat aanwijzende de sommen, welke het Rijk2) aankomen wegens betalingen voor rekening van anderen", terwijl

l) Bijlagen 1863/1864, n°. VI, blz. 87 97.

*) Cursiveering van mij.

Sluiten