Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„post nl. ') zal dan, vraagt de geachte spreker, Indië debiteur „zijn voor het ontbrekende ?.... Ja en Neen. Ja, omdat de „Regering zich beijvert het manco op een volgende begrooting „te brengen; neen, want absoluut te zeggen, dat Indië is debiteur, „dat gaat niet aan, dat kan ik niet doen, omdat ik het aangeduide onderscheid niet ken en niet kennen wil."

De heer Rahusen had gezegd, dat de ramschepen, voor Indië bestemd, ook door Indië moesten worden bekostigd. Minister Fransen van de Putte antwoordde daarop nog, dat het auxiliair eskader voor rekening van het moederland moest komen en vervolgde: „Het is overigens eene oiseuse quaestie, „de moeite niet waard om er over te discuteren, wanneer men „geen onderscheid maakt tusschen de Staatsuitgaven en Staatsinkomsten in Nederland en in Indië. Maar zelfs in het stelsel „van den geachten spreker uit Amsterdam zou, wanneer de „4 millioen van het auxiliair eskader op de Indische begrooting werden overgebragt, ook 4 millioen minder aan de middelen „van Nederland worden uitgekeerd."

Ook hier weer de verwarring van het oeconomisch en juridisch element: van finantieel standpunt een „oiseuse quaestie", heeft zij voor den jurist wel degelijk belang. Intusschen is het niet te ontkennen, dat het voor de leer der „eenheid" een zaak van groot gewicht is, dat een man als Fransen van de Putte haar met zijn gezag is komen steunen.

De minister zette andermaal zijn zienswijze uiteen in de memorie van antwoord op het voorloopig verslag der commissie van rapporteurs over het ontwerp van wet tot vaststelling van Hoofdstuk IX der Rijksbegrooting voor 1874 2):

„De ondergeteekende kan zich Nederland niet anders denken „dan als koloniale Mogendheid, één en ondeelbaar. Als koloniale „Mogendheid heeft de Nederlandsche Staat de uitgaven te doen, „die op de Staatsbegrooting zijn uitgetrokken. De Indische „bezittingen kunnen niet gedebiteerd worden voor een grooter „of kleiner gedeelte van die uitgaven. De Nederlandsche Staat „heeft in en voor zijne overzeesche bezittingen speciale uitgaven „te doen en trekt uit die bezittingen locale inkomsten. Uit „den aard der zaak worden die uitgaven en inkomsten op eene „speciale begrooting gebragt, maar zijn niettemin Staatsuit-

') Inlassching van mij.

■) Handelingen eerste kamer, 1873/1874, blz 116.

Sluiten