Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„gekomen, om over de afscheiding der financiën te spreken, „gelijk door den heer Levyssohn Norman is geschied."

Het ontwerp van minister Van Dedem „tot wijziging van artikel 4 en intrekking van artikel 28 der Indische comptabiliteitswet", <) een ontwerp, waarbij het enkel om het beginsel, niet om de toepassing daarvan te doen was2), levert voor ons onderwerp niets belangrijks op, wel daarentegen het voorloopig verslag3), naar aanleiding van het onderzoek in de tweede kamer; dit verslag is in hoofdzaak de uitdrukking van de meening, dat Indië rechtspersoonlijkheid mist. Artikel 1 der Grondwet wordt als bewijs voor de eenheid aangehaald, doch dit ontmoet verzet: „Dit werd echter door anderen betwist, „op grond dat artikel 1 der Grondwet, gelijk de Memorie van „Toelichting op dat artikel aanteekent, de hoofdstrekking heeft „het gebied van het Koninkrijk der Nederlanden te omschrijven „en dus een territoriaal begrip uit te drukken". Op blz. 4 wordt de pertinente vraag gesteld: „Is het de bedoeling des ministers „eene geheele scheiding tusschen de financiën van Nederland „en van Indië tot stand te brengen, en als beginsel aan te „nemen dat Indië financiëel zelfstandig zal zijn, met het gevolg, „dat het moederland niet meer voor Indische schulden aansprakelijk zal zijn en dat Indië op eigen hand leeningen zal „moeten sluiten, als dat noodig is? Zoo ja, dan meende men, „dat dit doel allerminst kon bereikt worden door de enkele „bepaling, dat op de Indische begrooting zekere vergoedingen „aan het moederland zullen worden vermeld. Van geheele „financiëele zelfstandigheid van Indië kon, naar het scheen, „geen sprake zijn, zoolang niet Indië door de Grondwet of „de wet werd gestempeld als eene persona sui juris, bezittende „eene politieke onafhankelijkheid binnen bepaalde door de „wet aan te wijzen grenzen.'1

In de memorie van antwoord, blz. 15, lezen wij: „Zeer „beslist wordt die vraag ontkennend beantwoord. Eene Staatsinrichting als waarvan hier sprake is, zal eerst dan aan Indië

■) Bijlagen 1891/1892, n°. 194.

4) Zie mr Ph. Kleintjes, Het Staatsrecht van Nederlandsch-Indië, deel II blz. 177.

*) Bijlagen 1892/1893, n°. 361, blz. 4.

Sluiten