Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„van Nederland en van Indië nauwkeurig uit elkander worden „gehouden, zoodat die financiën feitelijk 1) gescheiden zijn .... „Volgens een groep van leden kunnen Nederland en Indië, „daar zij geene afzonderlijke personen zijn, niet als schuld„eischer en schuldenaar tegenover elkander staan. In rechten „zeer zeker niet1), maar hier beweegt men zich op het gebied „van boekhouding, van billijke verdeeling van baten en lasten, „zoodat aan het genoemde bezwaar geen praktische beteekenis „kan worden toegekend."

Blijkens het voorloopig verslag2) over de Indische begrooting voor 1900 was de stemming in de tweede kamer ook toen nog ten gunste van finantieele eenheid: „Met betrekking tot de „scheiding van de Indische en Nederlandsche financiën werd „verder betoogd, dat, al moge dergelijke scheiding tot op zekere „hoogte gewenscht en gewettigd zijn, zij toch in beginsel strijdt „met de Grondwet en de inrichting van ons geheele Staatsrecht. „Naar artikel 1 der Grondwet kan aan koloniën of overzeesche „bezittingen geen zelfstandige persoonlijkheid worden toegekend. „Ook praktisch zou de scheiding bedenkelijk zijn, in zooverre „zij tot verbreking van den band tusschen het moederland en „de koloniën zou kunnen leiden. Men denke bij het licht „dezer beschouwingen aan onze Westindische bezittingen."

Ik veroorloof mij hierop tweeërlei aan te teekenen: 1°. dat het mij raadselachtig voorkomt, hoe men beweren kan, dat een scheiding tot zekere hoogte gewenscht en „gewettigd" is, om er dan in één adem op te doen volgen, dat zulk een scheiding nota bene strijdt met niet minder dan de Grondwet en de inrichting van ons geheele staatsrecht; en 2o. dat men „bij het „licht dezer beschouwingen aan onze Westindische koloniën „denkende" komt tot precies de omgekeerde conclusie van die welke het voorloopig verslag uit die „gedachte" wenscht te trekken. Zoo iets, dan bewijzen de Westindische koloniën, wier rechtspersoonlijkheid vaststaat, dat finantieele scheiding tusschen moederland en kolonie allerminst behoeft te leiden tot verbreking van den band, die beide aan elkaar hecht tot een staatsen volkenrechtelijk geheel, of, zooals mr. S. van Houten zich zou uitdrukken, leiden zou tot „een soort van personeele unie".

') Cnrsiveering van mij.

*) Bijlage B, 1899/1900, 4, n°. 32, blz. 3.

Sluiten