Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden zijn, en feitelijke of administratieve scheiding alleen de wet kan brengen, is de administratieve eenheid van de financiën onaangetast gebleven. Maar is dat wel zoo zeker, dat alleen de wet administratieve scheiding brengen kan? Vergeet mr. Rutgers van Rozenburg niet de macht der feiten, die in 1877 de Indische bron van bijdragen dermate deed opdrogen, dat op den bodem dier bron aan hem, die er in keek, het spooksel der chronische te korten zichtbaar werd? En hadden wij toen niet dezen toestand, dat Nederland op eigen wieken moest leeren drijven en, zooals Fransen van de Putte teekenachtig zegt, aan Indië den divorce beteekende, zoodat ook dit moest trachten rond te komen, zoo goed en zoo kwaad dat ging? Welnu, dan waren van dien tijd af de financiën van moederland en koloniën op zijn minst administratief gescheiden.

Kan men dus niet al te boud zeggen, dat scheiding van boekhouding op „feitelijke scheiding van financiën wijst", een sterk vermoeden in die richting wekt zij toch, vermoeden, dat zekerheid wordt, zoodra wij de geschiedenis raadplegen, welke ons leert, dat de administratieve scheiding zonder eenig gerucht, zonder eenige noodzakelijkheid van wettelijke proclamatie te onzent en in Indië haar intrede heeft gedaan. Als scheiding van feitelijken aard, is zij geboren uit de macht der feiten en uit de onmacht van Nederlandsch-Indië.

De heer Rutgers van Rozenburg staat in zijn meening niet alleen. Ik meen te mogen volstaan met te verwijzen naar een uitvoerig betoog van mr J. H. Geertsema Czn., een paar jaren te voren uitgesproken en waarbij ook de administratieve scheiding ontkend en als eenig bestaande scheiding die van boekhouding voorgesteld wordt ').

Een hoogst belangrijke rede hield den 29sten December 1904 in de eerste kamer, bij de beraadslaging over de Indische begrooting voor 1905, mr. F. S. van Nierop2). Wij zijn er aan gewoon geraakt, dat bij de behandeling van die begrooting telken jare meer of minder uitvoerig de finantieele verhouding tusschen moederland en koloniën ter sprake komt. Daarbij,

') Handelingen eerste kamer, 1899/1900, blz. 55, 56. ') Handelingen eerste kamer, 1904/1905, blz 156 v.

Sluiten