Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Artikel 17 luidt: „„Andere roerende goederen, eigendom „„van den Staat, waarvan de verkoop in 's lands belang wen„„schelijk is, worden steeds in het openbaar verkocht, tenzij „„enz. . In het belang van de koloniën kan men dus „goederen verkoopen in het openbaar, maar de wetgever „voegt er uitdrukkelijk bij: „„Eigendom van den Staat.""

„In artikel 18 wordt het nog eens gezegd: „„Goederen, i) „eigendom van den Staat, worden niet verpand of beleend'"' „Men spreekt dus van schuldeischers van den Staat, en „eigendom van den Staat. En de volgende alinea van artikel 18 „luidt: „„Hiervan zijn uitgezonderd de Gouvernementspro„ „ducten, wanneer de verpanding of beleening daarvan om „„dringende redenen in 's lands belang de voorkeur verdient „„boven verkoop."" Gouvernementsproducten zijn dus ook „eigendom van den Staat.

„Naar den geest en de geschiedenis van de Comptabiliteits„wet te oordeelen, heeft deze dus niet gedacht aan zelfstandige „koloniale leeningen, en vele leden van de volksvertegenwoordiging dier dagen en van later tijd hebben dan ook meer„malen verklaard, dat de inkomsten van de koloniën waren „inkomsten van den Staat. De heer Van Hall zeide in 1859 „zelfs: „„Een Indische schuld is nonsens," "' een kernachtige „uitdrukking, wellicht wat al te kernachtig, maar in elk geval „duidelijk zijn meening weergevend.

„Nu heeft de Minister in zijn bekende Nota gezegd, uitgegeven bij de Wetsvoordracht tot wijziging van de Comptabiliteitswet in 1903, dat Nederland, Indië, Suriname en „Cura9ao ieder een eigen vermogen hebben, en dat dit te „zamen het vermogen van den Staat vormt. Indien dit zoo is, „dat het vermogen van Nederlandsch-Indië is het vermogen „van den Staat, is dan de schuld van Nederlandsch-Indië ook „niet de schuld van den Staat ?

„Intusschen wil ik niet zoo ver gaan om te beweren, dat „deze toestand niet voor wijziging vatbaar zou z'in. Ik zie „althans geen grondwettige bezwaren. Ik steun op het gezag „van prof. De Loüter en op dat van het oud-lid dezer Kamer „den heer Röell, die in de zitting van 28 December 1899 te „kennen gaf, dat de Grondwet geen bezwaar omtrent andere „regeling zou zijn. Indien de Minister wenscht over te gaan „tot het sluiten van een koloniale leening — ik wil Zijn

Sluiten