Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„meening in het Voorloopig Verslag is weergegeven, en volgens „welke een koloniale leening alleen bij politieke onafhankelijkheid mogelijk zou zijn."

De heer Van Houten, „voor de derde maal het woord „gevraagd en verkregen hebbende", zegt: „Ik moet, op het „laatste punt het eerst antwoordende, opmerken, dat juist door „die eigenaardige inrichting van het Regeeringsreglement van „West-Indië ') en Cura9ao deze deelen van het Rijk naderen „tot de provincie, naderen tot zoodanige gewestelijke instellingen als ik van den Minister wensch dat hij in Indië ook „zal voorstellen."

Daarop gaf minister Idenburg nog het volgende ten antwoord: „Met buitengewone instemming heb ik vernomen hetgeen de „geachte afgevaardigde opmerkte over de redenen, waarom voor „Suriname koloniale leeningen wèl bestaanbaar zijn te achten. „Daaruit toch volgt, dat het, ook naar het inzicht van den „geachten afgevaardigde, zonder wijziging der Grondwet „mogelijk zal zijn, om ook voor Indië te komen tot koloniale „leeningen."

Bij de openbare beraadslaging over het bekende wetsontwerp, inzake een „geldleening ten laste van den Staat", te vinden onder n°. 154 der Bijlagen 1904/1905, was het de heer Van Kol 2) die het, jure constituto, voor de finantieele eenheid opnam, waarbij hij zich op het gezag van mr. Van Hoüten en van den heer Bool beriep.

Als de heer Van Kol woorden aanhaalt van minister Van Bosse, geschreven bij gelegenheid van zijn ontwerp, dat de finantieele verhouding regelen zou, en waarbij deze o. a verklaarde „dat die eenheid steunt op de Grondwet, en als gevolg „daarvan het Rijk steeds aansprakelijk is voor de schulden „van Indië", en als de heer Van Kol dan vraagt: „Waarom „geldt die verklaring van den toenmaligen Minister Van Bosse „heden niet meer; welke verandering is er dan toch intusschen „in onze wetten gekomen?", zou ik dit willen antwoorden: dat voor den rechtstoestand onzer koloniën, voor haar staatsrechtelijke verhouding tot het moederland en wat dies meer

') Sic.

®) Handelingen tweede kaïner 1904/1905, blz. 1296.

Sluiten