Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onteigenende partij '), voor de betaling zich tot het Rijk of tot den Staat hebben te wenden, daar Nederlandsch-Indië wel „imperium" zou hebben, doch alle stoffelijke middelen, zonder welke „gezag" een „klank" is. aan een anderen eigenaar zouden behooren.

Zulk een theorie is m.i. haar eigen weerlegging. Wanneer geen deugdelijke gronden voor haar juistheid worden aangevoerd, mogen wij aan haar voorbijgaan.

Ik geloof ook niet, dat die „anomalie," waartegen zich des hoogleeraars afkeuring richt, de noodlottige beschikking over koloniale saldo's ten bate van Nederland mogelijk maakte. Wanneer ik slaag in het bewijs, dat in elk geval van 1816 af die anomalie niet meer bestaan heeft en het beginsel van finantieele scheiding de verhouding heeft beheerscht, dan vloeit daaruit vanzelf voort, dat de batig-slot-politiek niet stond of viel met de ontstentenis der rechtspersoonlijkheid van Nederlandsch-Indië. Wel geef ik toe, dat voor die inhalige politiek de vermeende finantieele eenheid een welkom voorwendsel en een vernis van gerechtigheid geweest is, dat dus die rechtsdwaling deze politiek noodzakelijk moest in de hand werken; doch mogelijk gemaakt heeft zij haar niet. Wanneer wij nu even abstraheeren van de feiten, dan is het toch duidelijk, dat ook bij erkenning van de rechtspersoonlijkheid eener kolonie de oppermachtige wetgever bevelen kan, dat het batig slot aan de rijksmiddelen worde toegevoegd. Iets dergelijks zien wij immers gebeuren ten aanzien van provincie en gemeente. Bij de kolonie: uit kracht van de wet, vermeerdering van rijks-inkomsten; bij provincie en gemeente: uit kracht van de wet, besparing van rijks-uitgaven. a) Is het laatste vereenigbaar met finantieele

') Misschien werpt men tegen, dat in het stelsel van prof. De Louter de onteigenende partij niet is de kolonie, maar het Kijk of de Staat. Ik moet daartegen doen opmerken, dat, al gewaagt b.v. artikel 64, tweede lid der onteigeningsordonnantie (Indisch Staatsblad 1864, n°. 6 j° 185J van „overgang van eigendom op de onteigenende partij", deze toch alleen onteigenen mag als draagster van een publiek belang, als uitoefenende den publieken dienst. En dan hebben wij, in des hoogleeraars stelsel, met Indië te maken.

2) Artikel 107 laatste lid der Provinciale-, artikel 205-c der Gemeentewet. — Bedoelde bepaling der provinciale wet luidt na haar wijziging bij de wet van 17 Jnni 1905 (Zie Staatsblad 1905, n°. 210), den tekst der

Sluiten