Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-

voor Cura9ao op te nemen '). Een onduldbare inelegantie! En dit gebeurde met opzet! Want in de memorie van antwoord zeide de regeering nog op artikel 182): „Het verbod van „regtstreeksche of zijdelingsche deelneming in eenige overeenkomst, waarin de kolonie partij is, gaat ver genoeg. Schuldvorderingen ten laste der kolonie Suriname bestaan niet."

Het was de heer Godefroi, die bij de beraadslaging een amendement voorstelde, om alsnog in artikel 18 van het ontwerp een tweede lid op te nemen, gelijk in het ontwerp voor Cura9ao reeds werd aangetroffen. De regeering nam dit amendement over 3).

Bij de openbare beraadslaging was het vooral mr. H. Wintgens, die het afkeurde, dat bij de reglementen de Grondwet zoo trouw was gekopieerd Hij zeide onder meer4): „Het is „alles op eene kleinere schaal overgebragt, eene reductie, eene „verkleining, eene voorstelling van de Grondwet alsof men „die ziet door een omgekeerden verrekijker.... Had men niet „een meer eigenaardig koloniaal regeerings-reglement willen „ontwerpen, dan ware het.... wenschelijker geweest dat men „onze provinciale wet tot voorbeeld had gekozen. Men had „dan niet noodig gehad dat stuitende onderscheid te maken „tusschen Suriname en Curafao. Men had dan niet, gelijk hier „geschiedt, de koloniën behandeld als zelfstandige autonome „staten5). In § 6 der eerste Memorie van Toelichting lees ik, „dat zij hebben een priraat- en pübliekregtelijk van den Staat „onderscheiden regtspersoon. Dit gaat te ver, men maakt ze dus „tot autonome Staten, waarover slechts een suzerein gezag „wordt gelaten aan het moederland, zoo lang dat wel zoo goed „zal zijn de aanzienlijke jaarlijksche tekorten in de koloniale „kassen te dekken; en als dit niet meer noodig zal wezen, „dan zal het met dat gezag zijn afgedaan. Had men .... die „gewesten behandeld als overzeesche provinciën, .. . het ware „èn in het belang van het moederland èn in het belang der „kolonie beter geweest."

') Bijlagen 1864,1865, VIII, blz. 1272.

*) Bijlagen 1864/1865, VIII, blz. 400.

8) Handelingen der tweede kamer, 1864/1865, blz. 910. 4) Handelingen der tweede kamer, 1864/1865, blz. 872. Het klinkt, als ware mr. Van Hoütën aan liet woord!

t

Sluiten