Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„betalingen, verschijnendeden laatstenJuni en laatsten Decem„ber 1836, door de geldmiddelen der Overzeesche Bezittingen „worden bijgedragen, telkens met eene som van vier millioen „twee honderd duizend guldens."

Zeer belangrijk van ons standpunt is artikel 2, dat voorschrijft: „Deze bijdragen zullen plaats hebben bij tcijze van leening ') „om later met de renten sedert het doen van die leeningen „verschenen, welke renten echter nimmer vijf ten honderd „zullen kunnen te boven gaan, aan de geldmiddelen der Overzeesche Bezittingen te worden teruggegeven."

Het trekt de aandacht, dat de „gunstige toestand van onze „overzeesche bezittingen," waarvan de overweging van wet A. gewaagde, toch niet zóó gunstig was, of Indië moest zelf door leening aan de noodige middelen komen. Daarom bepaalt artikel 3: „De gelden tot het doen der voormelde leeningen „zullen worden gevonden door middel van het daarstellen „eener schuld ten bedrage van negen millioenen guldens ten laste „van de Overzeesche Bezittingen, waarvan zullen worden afgegeven obligatiën — rentende vier ten honderd, ingaande „den eersten April en eersten October 1836, welke renten door „het Rijk worden gewaarborgd;1) zullende deze schuld zijn van „volkomen gelijken aard als die waarvan de daarstelling is „bepaald bij het eerste en vierde artikel van de wet van den „24 April 1836 (Staatsblad n°. 11)."

Bij het afdeelingsonderzoek maakte de eerste afdeeling de volgende opmerking:^) „Overgaande tot het onderzoek der wet

nB herhaalt de Sectie de bedenking, ten slotte van het

„vierde artikel der wet A gemaakt ten aanzien van het gevaar „dat er in gelegen kan zijn, de schuldvordering, welke het „Amortisatie-Syndicaat op België zoude hebben, op een anderen „schuldeischer te doen overgaan en wel op de koloniale kas, „waarmede België niets heeft te verrekenen."

De juridische waarde van deze bedenking in het midden gelaten, is het, meen ik, duidelijk, dat de rechtspersoonlijkheid van Nederlandsch-Indië het uitgangspunt is.

De Tweede Afdeeling, in haar vergadering van 9 Maart 1836,

') Cursiveering van mij. *) Bijlagen 1835/1836, blz. 477.

Sluiten