Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„de renten en overigens van gelijken aard als die, bedoeld bij de wetten van 11 Maart 1837, (Staatsblad n°. 10,) 27 Maart „1838 (Staatsblad n°. 9) en 22 December 1838 (Staatsblad n°. 60)."

De Eerste Afdeeling stond geheel op den bodem der finantieele scheiding. Wij lezen toch op blz. 178, dat men bezwaar had tegen het borg blijven van het moederland. Daardoor werden de houders van Indische losrenten bevoordeeld boven houders van nationale schuld, „naardien men hun, behalve het „algemeen verband, nog een bijzonder geeft, en de opbrengsten „der koloniën, waarvan ons financiewezen thans geheel afhan„lijk is, in geval van gebrek, in de eerste plaats ten behoeve „van deze zijne bijzondere crediteuren, als principaal, zouden „moeten worden afgezonderd."

De grondtoon, die door alle afdeelingsverslagen heenklinkt, is de klacht over de geheimzinnigheid der regeering (Van den Bosch) in koloniale zaken, waardoor het den kamerleden onmogelijk was zich een juist oordeel nopens het ontwerp te vormen.

Vooral liet Luzac zich scherp uit in een begeleidende nota B.1). Van den aanvang af, wij zagen het reeds (blz. 216) was hij aan deze eenzijdige schuldopleggingen vijandig geweest. „Deonder„geteekende betreurt, dat de Regering, nu wij, na de schikking „onzer geschillen met België, alles behoorden aan te wenden, „om onze financiën op eenen eenvoudigen voet te brengen en „ongekunsteld te regelen, andermaal de toevlugt wil nemen „tot een middel, hetwelk op fictiën berust en al wederom „eene complicatie te weeg brengt, welke zonder wezenlijk nut „is en schadelijke gevolgen hebben kan.

„Hij houdt het passeren van obligatiën, waarbij het Ja„vasche bestuur, hetwelk zijne orders (artikel 60 der Grondwet) „uit het moederland ontvangt, zich ten behoeve van dat „moederland schuldenaar verklaart van zooveel millioenen als „men goedvindt voor te schrijven, voor eene handeling, welke „hij, om haar den waren naam te geven, bijna belagchelijk „zoude durven noemen. Hij kan het afgeven van losrenten op „die schuldbekentenis, welke de crediteur naar willekeur liet „opmaken, niet anders beschouwen dan als eene onnoodige en „hoogst gevaarlijke mesure."

Luzac stelt dan verder in het licht, dat de koopers van de

') Bijlagen 1839/1840, VII C, blz. 182.

Sluiten