Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„zeesche bezittingen, waarvoor het Rijk waarborg heeft verleend, in de begrooting zouden behooren te worden opgenomen „en ook hiermede het batig slot onder 10°. van het ontwerp „vermeerderd. Men oordeelt, dat de onderscheiding van „schulden, regtstreeks ten laste van den Staat loopende, of die, „welke door het Rijk zijn gegarandeerd, moet blijven in acht „genomen en dat er moet worden vermeden, om, door het invoeren van veranderingen in dit opzigt, als het waren in een „te smelten geldmiddelen, die, naar de bepalingen der Grond„wet, niet vermengd behooren te worden."

Het komt mij voor, dat de theorie van finantieele scheiding zich in den steun van een autoriteit als Baud mag verheugen.

De Staten-Generaal lieten zich niet paaien met een verwijzing naar een ontwerp tot uitvoering van artikel 59, laatste lid, der Grondwet. Het gevoel, dat met de kapitalisatie- en consignatie-contracten een deel van het budgetrecht dreigde verloren te gaan, dreef mrs. G. J. Bkuce, T. S Tromp en L. C. Luzac tot een wetsvoorstel, strekkende om aan het kapitalisatie-contract alsnog wettelijke bekrachtiging te verleenen '). Baud achtte zich tot het indienen van zoo'n voorstel niet verplicht. Als hij er toe overging, zou het wezen om, uit welwillendheid, aan een door de kamer geuiten wensch tegemoet te komen. Doch ook hiertoe was hij niet bereid, omdat hij de Handelmaatschappij niet mocht blootstellen aan de mogelijkheid van verwerping der bekrachtiging. „De Handelmaatschappij heeft het aan de Regeering niet verdiend om door „eene daad van harentwege in zulke moeijelijkheden te worden „gewikkeld." En al zou de tweede kamer zich met het ontwerp vereenigen, zoo „zouden de gevolgen dezelfde zijn, wanneer „de wet door deze Kamer aangenomen, maar door de Eerste „Kamer verworpen werd."

Deze verklaring was, blijkens den begeleidenden brief van de voorstellers i) de rechtstreeksche aanleiding om reeds 4 dagen later, den 18den Juni 1842, hun wetsontwerp tot bekrachtiging van het kapitalisatie-contract bij de Kamer in te zenden.

Karakteristiek is de overweging: „Alzoo Wij in overweging

') Handelingen 1841/1842, blz. 108 en 109. a.i Bijlagen 1841,1842, XV, blz. 377.

Sluiten