Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Bezittingen te delgen, en dat dit daarom gevaarlijk schijnt, „omdat het Tractaat aan Nederland de verpligting oplegt om „Nederlandsche schuldbrieven te vernietigen, en, daar de Re„geering steeds heeft volgehouden, en ook nu nog blijkens de „Begrooting beweert, dat de schulden van de Oost niet zijn „schulden des Rijks, zoude welligt België, met meer grond „dan de Nederlandsche Regering, bij de betaling van de „tweede 80 millioen kunnen beweren, wanneer wij de vernietigde Oost-Indische schuldbrieven zullen vertoonen, dat er „van onze zijde niet voldaan is aan onze verpligting

Had het den schijn, dat Baud bij het ontwerp voornoemd aan de leer, dat Indië een eigen vermogen heeft, van dat van het moederland gescheiden, den rug toekeerde, zoo worden wij gerustgesteld door hetgeen hij in hetzelfde jaar, bij gelegenheid van de beraadslaging over de staatsbegrooting voor 1844 en 1845, hoofdstuk XI (koloniën),1) zeide: Nooit „is beweerd, dat al de uitgaven, die de huishoudelijke belangen „der Overzeesche Bezittingen betreffen, behooren voor te „komen op de Staatsbegrooting. Dit beweert men ook thans „niet, maar men gelooft, dat die huishoudelijke kring te ver „uitgestrekt wordt en dat sommige der zoogenaamde koloniale „uitgaven eigenlijk uitgaven van het moederland zijn. .

„Nederlandsch-Indië heeft (dit zal wel door niemand worden „betwist) een zelfstandig Bestuur, onvermengd met dat van „het moederland. Het heeft eigen inkomsten, eigen wetten om „de heffing der inkomsten te regelen, eigen beginselen van „regering, een eigen budget van ontvangsten en uitgaven."

Voorts betoogt de minister nog, dat een uitgaat, in het moederland gedaan, daardoor haar karakter van koloniale uitgaaf geenszins verliest.

De conversiemaatregelen van Van Hall, en de argumenten, die zij ten gunste van de rechtspersoonlijkheid van NederlandschIndië verschaffen, zijn in het III® hoofdstuk behandeld (boven, blz. 37 v.). Wij zagen daar ook, dat de latere hartstochtelijke bestrijder van „den" rentepost in de memorie van antwoord op het verslag nopens de middelenwet voor 1846 en 1847 dien post met beslistheid in bescherming nam en de bewering, als

') Handelingen 1842/1843, blz. 755.

Sluiten