Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaf in de afdeelingen — wij zagen het reeds in het ITTde hoofdstuk (boven blz. 93) — aanleiding tot velerlei beschouwing over de gevolgen der voorgestelde wetswijziging met betrekking tot de finantieele verhouding tusschen moederland en kolonie. Men was het in dit verslag er roerend over eens, dat wij administratieve scheiding van financiën hadden en een „wettelijke „finantieele scheiding in beginsel in strijd wezen zou met de «Grondwet en met de inrichting van ons geheele Staatsrecht". Minister Idenburg, wij zagen het reeds, nam het ontwerp over. Toen echter deze bewindsman een geheel andere leer, die van Indië's persoonsbestaan naar geldend recht, op den kandelaar plaatste, bleken de meeste kamerleden het hiermede eens te zijn.

Wij komen aan een belangrijken schakel in ons betoog, de naar aanleiding van bovengenoemd ontwerp aan de kamer gerichte nota ter uiteenzetting van het regeeringsstandpunt betreffende eenige brandende Indische vragen. Zij werd bij brief van 21 Februari 1903 bij de kamer ingezonden1), „ter „voldoening aan den in de vergaderingen van de Tweede Kamer „der Staten-Generaal van 20 en 21 November jl. uitgesproken „wensch, dat de Regeering vóór de beraadslaging over het „wetsontwerp tot wijziging der Indische Comptabiliteitswet in „eene nota haar standpunt zou uiteenzetten ten aanzien van „de financiëele verhouding tusschen Nederland en Nederlandsch„Indië en verschillende daarmede in verband staande onderwerpen." De nota is in drie hoofdstukken verdeeld : het eerste bepreekt de verhouding tusschen de financiën van Nederland en Tndië, het tweede behandelt de beweerde verplichting tot afrekening, terwijl het derde hoofdstuk de middelen bespreekt voor de hulp door Nederland aan Indië te verleenen.

Het deel der nota, waarin de minister de rechtsvraag betreffende de rechtspersoonlijkheid afscheidt van de politieke vraag nopens de finantieele verhouding, is door mij reeds in hoofdstuk I (blz. 6 v.) behandeld. 2) Hier rest mij een bespreking van de argumenten, door den minister aangevoerd om tot een solutie van de rechtsvraag te geraken. Ten overvloede wijs ik er nogmaals op, dat minister Idenburg aan de rechtsvraag de minder juiste benaming „Verhouding tusschen

l> Belagen 1902/1903, n°. 6, 1.

8) Zie ook blz. 160, noot 3.

Sluiten