Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wetgevende macht en Koning veel omvangrijker zijn met betrekking tot Indië dan tot provincie en gemeente.

- Zoo wordt dan in de nota de weerlegging, dat rechtspersoonlijkheid en zelfstandigheid tegenover het moederland twee verschillende zaken zijn, alsmede dat eenheid van organen niets bewijst aangaande de vraag, of men met één of meer personen te doen heeft, noode gemist.

Wanneer de minister de argumenten ten gunste van „eenheid" voldoende weerlegd had, en overgaat tot het positieve deel zijner taak, n.1. om naar geldend recht de finantieele scheiding tusschen Nederland en Indië aan te toonen, dan kunnen wij een heel eind met hem medegaan. In de eerste plaats moet het tweede lid van artikel 59 der Grondwet in haar lezing van 1887, en wel de zinsnede: „die aan het Rijk „geldelijke verpligtingen opleggen" dienst doen, om het juridisch bestaan van het Rijk in Europa aan te toonen. Met het oog op artikel 2 der Grondwet komt ook mij dit een stevig argument voor en Buys dacht er al niet anders over toen hij in zijn standaardwerk schreef: *) „Men lette er daarenboven „op, dat de tweede zinsnede van het hier besproken artikel „juist zeer nauwkeurig onderscheidt tusschen Staat en Rijk. „Gesloten tractaten behoeven wettelijke sanctie, wanneer zij „óf het grondgebied van den Staat wijzigen óf aan het Rijk „geldelijke verplichtingen opleggen. Wat zou deze onderscheiding nu anders kunnen beteekenen dan dit, dat wijziging „van het grondgebied in de koloniën wel van de goedkeuring „der Staten-Generaal afhangt, maar niet het aanvaarden van „eene geldelijke verplichting voor de koloniale kas?" 2)

Wij kunnen meegaan ook met het beroep dat de minister

') De Grondwet, III, bl. 99.

*) Op grond van deze belangrijke passage meen ik ook Bdys te mogen rangschikken onder hen, die aan onze koloniën, yeen enkele uitgezonderd rechtspersoonlijkheid toekennen. — Op het artikel der Grondwet veroorloof ik mij de critiek, dat het onderscheid tusschen Staat en Rijk in zijn tweede zinsnede mij niet yerechtvaardiijd, ja, onjuist voorkomt. Immers, wie is bij tractaten partij, Rijk of Staat'? Natuurlijk de laatste. Aan wien worden dus bij tractaat geldelijke verplichtingen opgelegd ? Aan den Staat Alleen hij is uit het tractaat verbonden en gerechtigd. Wie nu ten slotte betalen zal, Rijt of kolonie, en in welke verhouding, het zal de volkenrechtelijke wederpartij in den regel wel onverschillig zijn, en, tenzij deze vraag in het tractaat zelf haar beantwoording vindt, die partij ook niets aangaan.

Sluiten