Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoodat de actieverandering alsdan ongeregeld zou zijn. En ook de volkomen nieuwe redactie van de bepaling over actieverandering in het ontwerp 1820, pleit voor deze opvatting. Immers, waarom anders niet van een systeem gerept, dat 11 jaren geleden nog in een wet beschreven werd!

Het ontwerp 1820 immers regelt in het vieide, aan het materieele actienrecht gewijde boek, ons onderwerp zelfstandig in art. 3209, luidend: De aard en natuur 1 van een actie 2 kan na derzelver aanleg niet veranderd worden. De aanlegger mag echter, in eiken staat van het proces, zijne vordering verminderen, behoudens hetgeen hieronder in den lós» titel, omtrent de proceskosten in dat geval, zal worden gezegd. Deze, trouwens onnoodige, wijl aan de mogelijkheid van vermindering niets afdoende, verwijzing doelt op art. 3472, Ie lid, volgens hetwelk bij pluspetitio de gedaagde, die dadelijk het werkelijk-verschuldigde aanbiedt, tot geen vergoeding van proceskosten kan gecondemneerd worden.

Nu is bij de redactie van ons art. 13-1 wel kennelijk dit voorschrift geraadpleegd, maar beide regelingen zijn verre van identiek. Wel is in het ontw. '20, getuige het uitdrukkelijk gewagen van vermindering, aan het O. H. Recht gedacht, maar dan wekt toch bevreemding, dat, terwijl het substantiëele relief is behouden,3 van het judiciëele géén spoor meer is te ontdekken. Men zou kunnen meenen, dat, waar in dit systeem het voorschrift is gegeven zonder eenig verband met formeele bepalingen over den inhoud der dagvaarding, zonder eenig

1) Verg.: Species litis in c. 8 C* 2. 1, en principale substantie van den eisch,op hl. 29 supra. liet is de vraag, of men hij „aard eu natuur" aau de juridische categorie der actie moet deuken — hruikleeuactie, bezitsactie in 't algemeen, — of aan een hepaald individu eener categorie. De terminologie is voor ons spraakgebruik wat ruim.

2) Verg. de definitie van „actie" in art. 3189. I)e bedoeling van het artikel is hg de vaagheid dezer uitdrukking bezwaarlijk na te gaan. Over veranderingen van den eisch wordt niets gezegd, daarom is „echter" in de volgende zinsnede bedenkelijk. Vordering immers is identiek met petitum, af te leiden uit de verwijzing naar den 15en titel, en uit art. 3369 al. uit., overeenkomstig ons art. 1937 K W.

3) Art. 3494 v.

Sluiten