Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(lering", waar deze van vier verschillende, doch bij één exploit van dagvaarding ingestelde, vorderingen tot herstelling en amotie, er twee wenschte te laten varen. En evenzoo werd beslist,1 dat het géén bloote vermindering is, van een vordering tot betaling van een rekening-courant-saldo en tot het afleggen van rekening en verantwoording de eerste op te geven.

Voorbeelden genoeg. Het is nu maar de vraag, waar tusschen beide instituten de grens te trekken is. En moeilijk is dit niet, wanneer men slechts in het oog houdt, met welke bedoeling door den wetgever de voorschriften over den afstand der instantie zijn opgenomen. Men heeft den gedaagde niet alléén willen schadeloosstellen voor de, door hem in het af-te-breken geding gemaakte kosten, maar bovenal hem willen beschermen tegen een hernieuwde instelling derzelfde vordering; men heeft zijn recht erkend, eéns en vooral te zien uitgemaakt, of den eischer de actie, waarop hij zich eenmaal beroepen heeft, toekomt. Trekt dus de eischer een deel zijner vordering in, zóó, dat de mogelijkheid blijft bestaan, dat met den teruggenomen eisch de gedaagde te eeniger tijd wêer wordt lastig gevallen, dan heeft,,al spreekt de eischer van vermindering, een vermomde en verboden afstand van instantie plaats gehad.

Alléén dan dus mag werkelijk worden verminderd, wanneer de gedaagde géén vrees behoeft te koesteren, dat zijn hierboven beschreven belangen zullen worden geschaad. Van opnieuw instellen eener vordering nu, ten bedrage van de som, waarmede verminderd is, is alléén dan géén sprake, wanneer in de vermindering tevens een erkentenis van den eischer ligt opgesloten, dat de gevorderde praestatie niet of niet meer door den gedaagde is verschuldigd2. Niet alléén, dat in die gevallen werkelijke afstand een zinledige forma-

1) Amstcnlim W. 2481,

2) Zie li.v. Haarlem W. W67; Amsterdam K. IV 1«78, 270 (toegeven van betwiste posten).

Sluiten