Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liteit zou zijn, omdat de toestand van vóór de dagvaarding toch niet meer zou kunnen herleven; deze ware theoretisch onjuist, omdat in een dergelijke vermindering slechts kan gezien worden het intrekken eener verrallen vordering. Doordat het doel van het geding tusschentijds gedeeltelijk is bereikt, of wel de gedaagde gedeeltelijk gepraesteerd heeft, is de beslissing over een deel der vordering overbodig geworden, omdat de actie vervallen is.

Is echter, in verband met den loop der procedure, een zoodanige erkentenis in 's eischers daad niet te lezen — zooals o. a. bij „vermindering" van een samengestelden eisch met één of meer der zelfstandige samenstellende vorderingen, of bij intrekking van den eisch tegen een, in meerdere qualiteiten opgeroepen, gedaagde ten opzichte van één dezer hoedanigheden' — dan moeten de regelen betreffende den afstand van instantie worden toegepast, en kan een dergelijke quasi-vermindering * na het antwoord niet zonder goedkeuring der tegenpartij geschiedenWant het is duidelijk, dat a. v. i. volstrekt niet alléén behoeft te bestaan in liet opgeven van het geheele procescomplex, doch wel degelijk zich over een deel daarvan, dat daardoor een eigen individualiteit verkrijgt, kan uitstrekken. Minder juist daarom acht ik een overweging van den H. R.4 „dat art. 277 niet is geschonden of verkeerd toegepast, vermits de oorspr. eischeresse nimmer afstand v. de i. heeft willen doen, maar steeds is blijven vorderen, dat hare tegenpartij in de kosten van het proces

1) Zeer juist Hof den Bosch W. 4190. Zie ook Ktj?. Zutfen W. 4675.

2) Arnhem W. Ó45H: „dat, waar niet van den eisch gedeeltelijk wordt afgezien, maar die uitdrukkelijk wordt losgelaten, om daarop later terug te komen, metterdaad plaats heeft, niet een vermindering van eisch, maar een bedekte a. v. i."

3) In dien /.in óók llahn, in Grüeh. Beitr. 80. 517.

4) H. R., W. 4334.

Sluiten