Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met eene eigene qualificatie benoemd. Die verhouding is de recMsverhouding; die van kooper tot verkooper, van eigenaar tot rechthebbende op een servituut, van voogd tot pupil. Opdat deze verhoudingen kunnen ontstaan, moeten bepaalde gebeurtenissen plaats grijpen, waaraan door den wetgever min of meer bepaalde gevolgen worden verbonden. In de oneindig-vele schakeeringen echter, waarin groepen dier rechtsfeiten, met hare verschillende gevolgen plaats vinden, is het zeer dikwijls voor den leek, en niet zelden voor den deskundige, onmogelijk, het wettelijk gevolg van alle gebeuren op te sporen en vast te stellen. Dat gevolg nu wordt afgeleid door den rechter, daartoe door den Staat als deskundige autoriteit aangewezen, die dus door partijen, onmachtig ter zake van dat gevolg tot overeenstemming te geraken, met de tot dien strijd aanleiding gevende gebeurtenissen moet worden in kennis gesteld. In het geding is dus alléén van die feitelijke verhouding sprake; liet afleiden der rechts gevolgen en de qualificatie daarvan geschieden achter de schermen, hoewel vooraf reeds, alléén ter instructie van den rechter, over die gevolgen wordt gedebatteerd. Curia jus novit!

Na het nemen van zijn besluit moet de rechter, op voorschrift van art. 59 3° Rv. het resultaat van zijne overwegingen betreffende het rechtspunt, zelfs afgescheiden van zijne beslissingen over de feiten,aan partijen mededeelen. De rechter intusschen, als alléén-werkzame autoriteit, leidt dat rechtspunt zelfstandig uit de opgegeven daadzaken af, omdat in die functie, en daarin alléén, zich de taak van den lijdelijken rechter openbaart.1 Omtrent de zelfstandigheid van deze taak des rechters bevat de wet een aanduiding in het bekende art. 48 Rv., dat den rechter ambtshalve aanvulling opdraagt van de rechtsgronden, die door partijen niet zijn aangevoerd. Dat dit voorschrift in

1) Da mihi factum, dabo tibi jus.

Sluiten