Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Slechts éénmaal heet Ignatius uitdrukkelijk „bisschop (Rom 2), ééns „herder van de gemeente in Syrië" (Rom 9). Dr. Völter, die een scheiding voorslaat tusschen Rom. en de VI „ Klein-Asiatische" brieven, beweert ') dat in de VI de schrijver zich niet alleen nergens uitdrukkelijk bisschop noemt wat ik graag toestem —, maar dit ook nergens wil schijnen, zich integendeel „mit der Gemeinde dem bischöttichen Amt gegenüber zusammenschliesst" — wat ik volstrekt ontken 8). Zoowel in Rom. als in de VI denkt de schrijver zich zijn held als bisschop (dit tegen Völter), hoewel hij dit nergens op den voorgrond plaatst8); maar op tal van plaatsen merken we van die bisschoppelijke waardigheid niets (dit met Völter tegen de echtheidsverdedigers).

„Afkomstig van de gemeente in Syrië" heet Ignatius in Ef., Mgn. en Tr.; „bisschop van Syrië", „herder van de gemeente in Syrië" in Rom.; „afkomstig van de gemeente te Antiochië in Syrië" in Sm. Heel belangrijk acht de schrijver de positie van zijn held niet, anders zou hij ook zijn diocese wel nauwkeuriger hebben meegedeeld.

Ongetwijfeld denkt de schrijver zich Ignatius als bisschop, wanneer hij gewaagt van zijn vriendschap met de bisschoppen der gemeenten, w^lke hij bezoekt of waaraan hij schrijft (Ef 5, 21; Phd 1; Pol 1); en zoo we Sm 9 niet Ignatius' bisschoppelijke waardigheid in het oog houden, is de overgang in dit cap. onverstaanbaar: Havzu «w tifiïv èv %agm nsgioaiviTw 05101 yag ion.

KaTa ndvta fit avsnavaaic cc/iiifioi vfiiv 9cog; de motiveeiing

gaat vooraf: ó ufiwv iniononov tino &tov rtttjujti 1. Ook tot juist verstand van Ef 3: vmtu ia negara, moeten we ons herinneren dat Ignatius als bisschop optreedt4).

) A. w. [zie bl. 14 Nn. 28] S. 4 fgg.

:) In § 7 de volledige motiveering waarom ik bet getuigenis van Rom. en van de VI gelijkwaardig acht.

3) Misschien geelt Dr. Van Loon, a. w. (zie bl. 14 N°. 30] hiervan de juiste verklaring, wanneer hij het toeschrijft aan schrijvers vrees, zijn aanbeveling van het episkopaat te verzwakken door die in den mond van een bisschop — dus van een belanghebbende — te leggen.

4) Vgl. beneden, § 12.

Sluiten