Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aannemelijke reden te hooren, die den schrijver tot het zenden dezer brieven bewoog. Wanneer we een verzoek om voorbede voor hemzelf en voor de Antiocheensche gemeente buiten rekening laten (dat kan toch niet de reden zijn geweest tot het schrijven van dergelijke stukken), dan vinden we voor Ef., Mgn. en Sm. ') dat de liefde tot die gemeenten den schrijver dringt, hen aan te sporen tot iets wat ze al doen; dan vinden we voor Tr. en Phd. volstrekt geen reden; voor Pol. het verzoek dat de bisschop eenige brieven zal schrijven, waartoe onze auteur zelf geen gelegenheid heeft. Commentaar overbodig!

Een eenigszins bijzonder geval is het met Rom., naar vorm en inhoud van de andere „brieven" afwijkend. Uitdrukkelijk wordt hier een reden tot schrijven opgegeven; zien we of deze aannemelijk is.

„Ignatius" verzoekt den Romeinen, alles na te laten wat zijn marteldood zou kunnen verhinderen, maar integendeel hun krachten in te spannen om hem het martelaarschap te doen verwerven; hierover zijn alle uitleggers het eens, maar de meeningen loopen uiteen bij de vraag wat onze held dan wel van de Romeinen vreesde, welke stappen dezen konden doen in zijn voor- of nadeel — naar men het opvat. Baur maakt zich gemakkelijk van die vraag af, door de bewering dat de inhoud van den brief onmogelijk is; dat niemand te Rome Ignatius' marteldood kon verhinderen; dat dus klaarblijkelijk de geheele brief een fictie is. Renan schrijft zijn Ignatius de vrees toe, dat de Romeinsche Christenen hem van den dood zouden redden „par leur crédit et leur fortune". Zahn verwerpt deze mogelijkheid ten eenen male. Hoe zouden de Christenen te Rome ooit in staat zijn geweest, een gevangene die naar den Keizer verwezen was, los te koopen of te bevrijden? Hij is overtuigd dat de eenig ware opvatting van den brief deze is, dat Ignatius vreesde voor een intercessie ten zijnen gunste bij den Keizer; zóó vast is hij hiervan overtuigd, dat hij, op grond van den aldus geëxegetiseerden brief naar Rome, de

') Zie vooral Sm 4.

Sluiten