Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maria 2, fjTotfiaOfiévtov, in overeenstemming met Rom 5, waar

het Eusebius-citaat ïtoi>k>v heeft.

Drie jaar later, in de prolegomena voor zijn tekstuitgave, geeft Zahn een nieuw argument, geput uit de Hss. der lange recensie1). Aan Rom., welke in deze verzameling achteraan staat, gaat Ef. vooraf, en na dezen brief volgt het woord wyr, een slotwoord dat dan vóór Rom. de verzameling zou besluiten, en bewijzen dat Rom. pas in later tijd aan dezen bundel zou zijn toegevoegd. Lightfoot*) wijst er op, dat wordt gevolgd door r) xV«; dat Deutero-Polycarpus een dergelijk slot heeft, dat de woorden dus tot den brief behooren, en dat de bewering willekeurig is, als zouden zij aan het eind van Ef. de bedoeling

hebben den bundel af te sluiten.

Zahn s) acht zijn gevolgtrekkingen niet temet-gedaan door Eusebius' Kerkgeschiedenis III: 36. Weliswaar komt in deze opgave Rom. in de vierde plaats, dus midden tussclien de andere brieven in, maar dit zou verklaarbaar zijn, wanneer we aaunemen dat Eusebius de brieven chronologisch rangschikt, daar Rom. de laatste uit Smyrna geschrevene is en dus^ in tijdsorde vóór die uit Troas komt. De woorden uit III: 3< ),

ats xuTeMèafitv èmaxoUk" zouden allerminst als

bewijs mogen gelden dat Eusebius aan een verzameling, aan een

bundel dacht — eer voor het tegendeel! ;

Mij dunken deze opmerkingen juist. Zelfs zou men Zahn s stelling kunnen versterken, door te wijzen op de manier waarop Eusebius den brief naar Rome bij de drie voorgaande voegt: ngbs xavxais *13 'Papatuv eWijalt? w«^«, heet het, en deze woorden geven den indruk als kwam Rom. uit een ander kanaal

dan de overige brieven.

Hier staat nu echter tegenover, dat Eusebius, het getuigenis van Irenaeus over Ignatius aanhalende, zegt: x&vlmotok&v

1) A \v. [zie bl. 13 No. 4] p. VII.

2) Ibid.

3) A. w. [zie bl. 13 No. 1] S. 11 fgg.

4) Zie voor deze Eusebius-citaten boven, § 3 bl. 18 vg.

Sluiten