Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■Bovendien zullen we die samenvoeging niet overal zóó nauw vinden, als Zahn het doet voorkomen. Zahn's eerste argument ') is gegrond op Mgn 11; nadat de Briefschrijver in de capita 8—10 tegen de „Judaïsten" te velde is getrokken, besluit hij dien aanval met een regula fidei die kennelijk tegen Doceten gericht is; hieruit leidt Zahn af, dat de Doceten en de „Judaïsten" der Ignatiaansche brieven één partij vormen. Daartegenover wijs ik er op, dat in Mgn 8 wel degelijk naast de „Judaïsten'' een tweede partij genoemd is, die we later als docetisch zullen leeren kennen; maar hoewel we toegeven dat hier een hoofdzakelijk anti-Joodsche polemiek wordt besloten door een antidocetisch getinte geloofsbelijdenis, kunnen we daaraan geen bewijskracht toekennen voor de samenvoeging van Doceten en Joden tot één partij. Een tweede argument van Zahn berust op een m. i. onjuiste lezing van Mgn 9*. De verdachte woorden, 0 TLveg ccyvovvTtti, hebben betrekking op Christus' levenwekkenden dood; hier zou dus een anti-docetische polemiek -) midden tusschen de bestrijding der „Judaïstische" dwalingen in staan, wat wederom de eenheid dier beide ketterpartijen bewijzen moet. Terwijl wij, gelijk gezegd is, de bewijskracht dezer combinatie loochenen, moeten wij Zahn's gelieele argumentatie verwerpen, daar wij de voorkeur geven aan Lightfoot's lezing, volgens g, o v rivcg agvovvzcti', deze woorden houden dan een loochening van Christus in, een verwijt dat onze schrijver evenzeer tegen Joodsche ongeloovigen als tegen docetische ketters kan richten, gelijk hij beiden verwijt x^'S Xqiotov 'Irjaov te leven. Zahn, Funk en Hilgenfeld lezen o met L, een zwak getuige; A kan zoowel o als ov worden gelezen; G heeft een bedorven lezing, die geen licht voor de oorspronkelijke geeft; we zijn dus gerechtigd, met Lightfoot de hoogere autoriteit g te volgen; we vinden overigens die uitdrukking Sm 5'

') A. w, [zie bl. 13 N°. 1] S. 860. Vóór hem is deze zelfde bewijsvoering geleverd door Junius, a. w. [zie LI. 10] bl. 131—132.

a) Waarom de loochening van Christus' levenwekkenden dood noodzakelijk een docetische dwaling moet zijn, is mij niet duidelijk.

Sluiten