Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het begin dezer paragraaf kwam Sm reeds ter sprake, en wij zagen d.it, onze schrijver den ketters slechts hun docetisme verweet, niet hun aeonenleer. Ook Tr 5, waar hij, getuigend van zijn kennis der ènovQctviu, de zonoftesiag zag ayyeXixctg xat zag avdzaaiig zag ÜQ%ovzixug ter sprake brengt, toont ons dat de theologie en de terminologie der gnostieken hem niet onbekend zijn. In dit verband moeten wij nog wijzen op het gebruik van het woord rclijpcofia (Tr. isc.) in de gnostische beteekenis van „ïegnum coeleste"; <>p de kenschetsing van de Trallische gemeente als onberispelijk, ov y.azct XMGIV KCtJ*i <pvaii (Tr l2), volgens Irenaeus' getuigenis een Valentiniaansche beschouwing; eindelijk op het voorkomen van het woord ai&vts (El' H4, 194 en Sm 1 u) ter aanduiding van personen ').

Wij begrijpen nu de geringe belangstelling die „Ignatius' heeft voor den persoon van Jezus als prediker en als levensvoorbeeld: slechts op één plaats heet hij diddoxakog (Mgn 9'), slechts op enkele wordt aangedrongen op „navolging van Christus"; integendeel, iv nazyi iov ficUAoi' cpuivizai. getuigt onze schrijver, Rom 37, van hem. Inderdaad zijn het slechts de heilsdaden: vleeschelijke geboorte, doop, lijden, kruisdood en opstanding, die voor den Briefschrijver beteekenis hebben.

De invloed van de opvattingen der gnostieken doet zich ook Ef 10' gelden: in cap. 9 zijn dwaalleeraars en ware Christenen tegenover elkaar gesteld; nu wijdt de schrijver zijn aandacht aan „de andere menschen', die klaarblijkelijk niet zoo kettersch zijn als de afgedwaalden van wie te voren sprake was, en niet zoo Christelijk als de hier toegesproken „Efesiërs"; deze laatsten worden dus als een soort van èxhKzoi beschouwd. In dezelfde lijn liggen Ef 20 en Tr 5, waar „Ignatius" in het bezit eener hoogere gnosis roemt, welke hij zijn lezers, als vr\nioig, onthouden moet.

') Slll 1 ") iVflf a^ij auaatjfxov e/» tou$ o/ötBf, stcuilt op Jes. 5 . vergelijking met deze plaats, ioiy&qovv ovoari/uov iv toi$ ê&ttaii maakt het zeer n8ar* schijnlyk dat de aicbv,;, die met do l»vij van Jes. op één lijn staan, als personen zijn gedacht. Voor de overige plaatsen vergelijke men Hilgenfeld's a. w. [zie I>1. 15 N°. 40] ad loc., en „Die Apostolischen Vater" S. 252 259.

Sluiten