Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geformuleerd — komt in de uiteenzetting van het wereldbestand ook tot den mensch. De wijsgeer, de wereld doorzoekend, heeft den mensch ontmoet als nieuw objekt voor zijn van boven af begonnen onderzoek; hij is gelukkig ook dit voorwerp gevonden te hebben, want hoe licht had hij dien mensch verzuimd! Het komt er nu op aan hem te plaatsen in de rangorde der wezens en vooral op dien mensch toe te passen het begrip van verband tusschen bepaald wezen en algemeenen wereldgrond, dat reeds zoo

voldoende bij andere zaken is aangewend. Maar zoo

heel gemakkelijk gaat dit niet, want de wijsgeer heeft dien mensch meer gezien; deze ontmoeting verlevendigt herinneringen en de onbevangen objektivist gevoelt zich door deze eenigszins verward; hij staat helaas niet geheel objektief tegenover hem, evenmin als een man tegenover het meisje, dat hij vroeger heeft liefgehad; en hij wil bovenal onbevangen zijn. Het feit, dat hij dit wezen vroeger zag en toen anders dan nu, verstoort de helderheid zijns verstands: het voorwerp heeft een stem, waarmee niet mag gerekend, zoo het als objekt uit het verband met dien wereldgrond zal begrepen worden — en wie kan de waarschuwing van die stem geheel onderdrukken? en onze wijsgeer, voorzichtiglijk handelend, weet met dien mensch geen weg.

Zoo hij maar in dien mensch, hem niet geheel vreemd, zichzelf herkende! en begreep hij slechts, dat hijzelf, subjekt zijnde, zichzelven, dat is den mensch, misvatte door hem te beschouwen als objekt, gezien van uit een wereldgrond, welken ook — deze denker zou zijn weg verlaten, en een lichtende oorsprong van gedachte ware hem geopend. Zelfs al bleef hij zich van deze wegverandering onbewust — hij ware toch gekomen in het goede spoor: aldus Spinoza.

Sluiten