Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

Spinoza als theo-logisch denker beoordeeld.

(Kritiek van zijn Substantie theorie).

Wij komen thans tot Spinoza terug, om de tegenstelling van theo-logisch en anthropo-logisch denken aan zijn filosofie toe te lichten. Ik heb reeds eenmaal op deze tegenstelling gewezen J) en wensch hier niet in herhaling te geraken van het reeds bewezene. Doch wat ik wèl voorneem is: den aard van het anthropo-logisch denken bij Spinoza nader te beschouwen; maar vooraf een opmerking over het theo-logische.

Spinoza heeft het substantie-begrip aan het hoofd gesteld van zijn theo-logische denkwijs. Het is versierd met de hooge praedikaten of eeretitels waarmede de wereldgrond kan worden aangeduid: de Substantie is het Absolute en dat wel naar de twee zijden der beteekenis van dit begrip; het absolute is absoluut naar het feit van zijn bestaan en naar den inhoud van zijn wezen; m. a. w. het is formeel-absoluut en materieel-absoluut; het eerste, omdat het bestaan der Substantie begrepen wordt uit niets anders dan het wezen der Substantie zelf, evenals dit wezen geheel uit zichzelf begrepen moet worden; het is de identiteit met zichzelf en roept niets anders te hulp, evenmin om te bestaan als om zijn inhoud te hebben. Absoluut beteekent ab-soluut, los of vrij vè,n al het andere dan zichzelf.

1) Dr. J. D. Bierens de Haan. „Levensleer naar de beginselen van Spinoza" ('sHage 1900) Hoofdst. I, § IV. Het dualisme der Ethica; de breuk tusschen Wereldleer en Levensleer. Zie verder de uiteenzetting van de Wereldleer, vooral het Hoofdstuk: Pantheïsme, bl. 364 vvg.

Sluiten