Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo moet, volgens de nu volgende bespreking, de vrijheid bestaan in hetzelfde: want in het karakter is de transcendente Idee aanwezig, en deze verleent aan de gedraging de zedelijke waarde of idealiteit, die de vrijheid is.

Het is echter een onafwijsbare eisch, dat wij deze aanwezigheid der Idee in de menschelijke handeling psychologisch aantoonen-, want hier ligt het psychologisch prinape der vrijheid, (terwijl de zedelijke waarde der handeling de vrijheid zelf is). En zonder de psychologische kwistie, die zich hier voordoet, toe te lichten, staat hei wetenschappelijk recht onzer vrijheidsleer niet vast.

Een verwijzing naar Kants theorie is hier wel ter p:aatse. Immers voordat Schopenhauer de tegenstelling tasschen de noumenale wereld met vrijheid (Ding an sich) «n de fenomenale wereld met kausaliteit, gelijk deze in lants leer der intelligibele vrijheid voorkomt, zoo had toegespitst, dat de vrijheid voor goed naar de achterzijde verdreven werd en de fenomenale sfeer van wereld en leven aan de onvoorwaardelijke kausaliteit prijsgegeven !) — eer Schopenhauer het Kantiaansch-platonisch dualisme tusschen wezen en verschijning aldus op de spits had gedreven, werd de intelligibele vrijheids-theorie wel voor interpretatie van het levensgeschieden aangewend. Kant heeft de mogelijkheid erkend, dat de apriorische gesteldheid onzes praktischen geestes (wil) in het empirisch leven invloed gewon; hoe deze mogelijkheid bij de dualiteit van noumenon en faenomenon bestaan kon, heeft Kant niet opgelost en hij heeft den menscheijken geest tot de oplossing van dit vraagstuk onbekwaam

1) Door de tegenstelling tusschen esse en operari, het eerste vrij, ht laatste onvrij.

Sluiten