Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïeeds vroeger toebereid wijsgeerig arsenaal. Het hangt vooral van zijn tegenstanders af hoe zijn polemiek zich zal inrichten. Want scepsis is polemiek, en de sceptiek is uitgepraat, zoodra de dogmatiek verslagen is: zij heeft geen positief beginsel van voortbouw.

Wanneer wij dus de sceptische filosofie der Grieken als éen traditie opvatten, is dit geen miskenning der onderscheiden, welke inderdaad ook daar zijn aan te wijzen. Er is bepaald verschil tusschen vier sceptische perioden: Pyrrho, Nieuwe Akademie, Aenesidemus, Sextus Empiricus. Elk dezer perioden heeft eigen karakter: Pyrrho's twijfel is de denk-resignatie, het „que sais-je ' van Montaigne; de Nieuw-Akademische twijfel is de denk-konsekwentie en opereert inzonderheid met de dialektiek. Vooral zij heeft een aparte plaats, en ontleent al haar werkzaamheid aan een bepaalde aanleiding: de tegenstelling met de Stoa J). Aenesidemus, die haar renegaat zal geweest zijn, heeft zich beijverd de halfslachtigheid dezer scepsis tegenover de volstrektheid van de Pyrrhonische twijfel aan te toonen 2), daar zij nog onderscheid maakte tusschen waarheid en onwaarheid, goed en kwaad, waarschijnlijkheid en onwaarschijnlijkheid, hetgeen aan een volstrekten twijfelaar niet voegt. Ook de probabiliteitsleer, voor de levenspraktijk uitgedacht (daar ook de scepticus handelen en dus toestemmen moet) was een punt van inkonsekwentie.

Na den dood der Nieuwe Akademie begint dan de kompleete sceptiek in twee perioden, getypeerd door

1) Het Stoisch sensualisme en de leer van het kriterium.

2) In het eerste boek der nvppuvtiot Kóyoi.

Sluiten