Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in berusting, neergericht op de stoffelijke realiteit: „En 't was een populierken. En hij, DenDjuze was een menschelijke creature..— Zoo in de Landelijke Historie (verhaal van eene overstrooming) is de zonderlinge koortsangst van den herbergier Baaske-"Wie geen vrees voor de naderende overstrooming, maar voor hèt Gevaar, het bovenzinnelijk gevaar, waarvan hem, onbewust, die overstrooming manifestatie wordt: „een schrik van onverwachte wreede dingen, van heimelijke, spookachtige dingen liep over zijnen rug..."

Bijna alle hoofdfiguren zijn min of meer gelukte, maar toch slechts zelden supreme psychologisch-naturalistische en impressionistische beeldingen van menschen wier geestesgesteldheid hen dikwijls maar vaag het bovenzinnelijke doet gevoelen. Ook sommige der bij-figuren, zoo Andrie (Landelijke Historie): „De boomen langs den heirweg en de kerklinden kraken, klagen, zei Andrie. 't Is goed bij 't vuur." Men proeve woorden en geluid van dit zinnetje goed, zij houden dit vage voelen in. Er zijn figuren op wie bovenstaande kenschetsing niet toepasselijk zoude zijn. Zoo Mele, de vrouw van BaaskeWie, die maar aldoor geen antwoord geeft op 't angstig gejammer van haar man en in zwijgende energiewoede „den dijk blijft metsen." Deze figuur schijnt mij van uit de sfeer der hoogere realiteit, waarin blijkbaar de auteurs-

Sluiten