Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en velden en zij verkreeg allengskens machtiger invloed: daardoor hield het voortbrengen van zoo sprokige verhalen als in De Wonderbare Wereld op en ontstond een verhaal, waarin door zijn grootere dagelijksche-werkelijkheidsgelijkenis, het schijnbaar onwerkelijke (schijnbaar want slechts anders reëele) den indruk maakte van iets onechts en valsch. In een brief aan den Heer van Nouhuys, door Gr. Nederland afgedrukt, heeft de schrijver dit niet-boers spreken anders verklaard: „Als 't gezegde (van een man) 't gevoel vertolkt, door 't omliggende gewekt, dan spreekt hij mijne taal, dan vertaal ik zijne woorden om schooner zijn gevoel uit te drukken." Ik geloof dat de Heer Teirlinck — ik weet, het is zeer onbescheiden gezegd — zich-zelf hier, natuurlijk volkomen te goedertrouw, een bedoelen toeschrijft, dat hij niet kan gehad hebben. Hoe hij daartoe kwam, het is gemakkelijk te begrijpen. Zeker wetend, dat Teunis zoo moet spreken als hij spreekt, hem zóó levend ziende in zijn verbeelden, maar ook erkennend dat een Vlaamsche boer zoo niet spreken kan, verklaart hij die tegenspraak gelijk hierboven, er niet op achtend, dat de in hem levende zelfstandige voorstelling van den mensch Teunis slechts uiterlijk en toevallig beinvloed door de verschijning van een Vlaamsche boer is, maar er verder niets mee te maken heeft. "Ware zijne verklaring juist, hij zou

Sluiten