Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boord of 't moest voor vreugdeschoten zijn. Ik heb gezeid." Maar Jan Crediet, de deftige, staat op, strijkt zich over de gladgeschoren kin, humt n paar maal en zegt hoffelijk — de man is zoo gewend in zijn dagdagelijksche zakenleven afgemetenheid en koelheid te betrachten, dat hij ook nu niet loskomen kan —: „Geëerde Heer Neef! Het zij mij vergund ook namens mijn geachten vennoot en broer Jan Contant op uw gezondheid en geluk te drinken. Mogen ook de zakelijke relaties, die onze firma het genoegen had met u en uwen waarden vader aan te knoopen van blijvenden aard blijken te zijn. Ons zult gij steeds bereid vinden U met raad en daad te helpen." Natuurlijk tegen onderpand en rente, maar dat zegt de schalk er niet bij. Ge verwondert u, dat Jan de Poëet niets zegt. Onnoozele, hoe miskent gij hem. Toasten slaan, dat laat hij liever aan Jan de Rijmer over, al moge hij zelf wel, wen ontroerd, daar hem wat versregelen te binnen komen, niet te schuchter zijn ze uit te spreken. Doch stilte! Jan Solidair staat op, hij zal antwoorden. Maar o ! wat is er nu met Jan de Poëet, dat er tranen over zijn wangen biggelen ... heb ik 't u niet gezegd ? als hij ontroerd is ... ik wist het wel... ik ken hem wel. .. Hoor en zie hem nu als mijmerend met neergeslagen oogen spreken:

„Kind der Menschheid, dat nu opstaat

Zegelach op het jong gelaat,

Nieuw wezen dat bloeien gaat,

Sluiten