Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zachtheid, meegevoel met 't zieke en zwakke, onzelfzuchtig dienende liefde. Welke verkwikkelijke gewassen deze op hun kop gezette „idealen" reeds deden opschieten, kunnen we waarnemen in zoovele vermande, met verwaten minachting op huiselijke bezigheden neerziende beroepsdames, welke zich zoogenaamd v r ij maakten, d. w. z. haar eigen natuur verloochenden en, zich schamende over haar geslachtskarakter, alle charme, alle fijnheid van gevoel en tact verloren; niet feministen behooren zij te heeten, doch masculinisten, want liet echt-vrouwelijke is haar antipathiek en het manlijke streven zij na. Ook kunnen we ze zien in die wee-zoetige, zich van vleesch onthoudende en den vroolijken wijn schuwende verkondigers der „algemeene schepselenmin", opjubelend als een gevoelsziek juffertje ') de volstrekte gelijkwaardigheid van alle levende wezens bepleit of het een „gezond zedelijkheidsbesef" noemt, dat in hun onderlinge verhouding de sterken allereerst plichten, de zwakken rechten hebben; altijd den mond vol hebbende over altruïsme en zelfversterving en toch de theosophie hierom zoo'n schoone leer vindende, omdat zij .... 't kostbare zieltje dooi* de leer der wedergeboorte zoo prettig in 't gevlei komt 2).

1) Marie Jungius, Over de onbegrensdheid van ons meegevoel.

2) Het is opmerkelijk, hoe gemeenlijk, naarmate iemand onbeduidender is en er minder kans bestaat dat hy in zijn werken of

Sluiten