Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

Een américaine reed het erf van het hotel op. Jan van Vleuten stapte eruit, landerig, zooals iemand zijn kan, die op het heetst van den dag in de benedenstad heeft moeten vertoeven, en pas uit de bergen komt. Geen zuchtje was te bespeuren geweest, de lacht trilde van de warmte, zelfs nu nog, om vier uur. Alles straalde hitte uit. Boven in de vuilblauwe lucht de zon, beneden de macadam-weg, van links en rechts de witte muren. De boompjes langs de Passeh-bacin deden er aan mee, en wierpen een kolommetje hitte op, waarin ontelbare vliegjes, met trillende vlerkjes drijvend op de warme lucht. Zelfs in de schaduw van den Simpangschen-weg was het niet beter. Het was of de warmte daar opgesloten was, niet weg kon door het bladerendak; de zucht door het snelle rijden veroorzaakt, sloeg lauw in het gezicht. Om den hoek van Embong-Malang scheen zelfs het felle trekken van de zon nog dragelijker; daar was althans ruimte. Maar de dakijzeren verandah broeide weer des te erger.

Snel liep van Vleuten, na de leidsels om het slikbord te hebben gehangen, het hotel in, direct naar de bijgebouwen, waar hij zijn kamer had. De dikke muren en neergelaten zeilen mochten iets van de warmte hebben uitgesloten, doch hij merkte het nauwelijks.

Sluiten