Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goed. Ik heb de blanco wissels bij me; je hebt maar in te vullen."

„Dankje. Teekenen waar ik bij ben."

„Onzin. Hij ontvangt zelf het geld. En ik ben Viehof niet, zou ik denken."

„Als hij zelf komt, is het goed," antwoordde Wiechen, zonder op de laatste woorden weerwerk te geven. „Zie eens of je Boom vinden kunt."

„Dat is gemakkelijk genoeg. Tot twaalf uur in zijn bed. Ik zal hem bij je sturen. Dag Wiechen."

„Bonjour," zaide Wiechen, op een electrisch schelknopje drukkend, voor het uitlaten.

Toen hij de voordeur had hooren dichtvallen, belde hij nogmaals, waarop de bediende binnenkwam.

„Is er iemand ?"

„Deze meneer, antwoordde de bediende, een stukje papier op tafel leggend. Hij was juist binnen toen u belde."

„Goed, zeide Wiechen, den naam lezende van van Vleuten. „Als ik bel, kan je meneer binnenlaten."

Hij ging naar het telefoon-toestel, en had reeds de hand aan de kruk, toen hij zich plotseling bedacht, en terugkeerde naar zijn schrijftafel, waar hij op de bel drukte. Toen van Vleuten binnenkwam, was Wiechen bezig eenige papieren vóór hem terecht te leggen, alsof ze bijeen hoorden, quasi druk.

„Aha!" deed Wiechen, die zich in zijn kantoorstoel had omgedraaid. „Blij u te zien, meneer. Hoe vindt u dat ik hier zit?"

Hij was al sprekende opgestaan, en wees met de hand zijn kantoor rond.

„Ruim en gezellig, zeide van Vleuten; „maar als die lessenaar en brandkast er niet stonden, zou men niet denken op een kantoor te zijn. Vooral die schilderijen "

Sluiten