Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met weekklantjes, die hij tien, twintig gulden leende, en hem daarvoor eiken Zaterdag één, twee gulden rente moesten betalen. Langzamerhand was hij grooter zaken gaan doen, doch eigenlijk gezegd fortuin kende men hem niet toe. Hij leende van den een, om het tegen hooger rente aan den ander uit te leenen.

Van Vleuten had haar gesust. De werkkring van een bankier was nu eenmaal zoo. Hij was de tusschenpersoon in den geldhandel. Zijn verdiensten waren de belooning voor zijn werk. Weliswaar begreep hij ook niet goed, hoe men in Holland zulk een enorme rente kon opbrengen, maar dat het niets bijzonders was, bleek uit de relatie tusschen dien Wiechen en Karsten & Co. Deze firma was toch een der eersten in den Haag, die zich niet zou afgeven met iemand van twijfelachtig allooi.

Dit argument deed Betsy zwijgen, maar zij dacht aan de practijken, waar zij in Indië wel eens van gehoord had. Hoe zelfs vrouwen van hooge ambtenaren kleine bedragen uitleenden aan dos-d-dos koetsiers, aan klontongs enzoovoort, óók tegen hooge rente, een dubbeltje per gulden, 's ochtends gehaald, 's avonds terug te betalen. Maar dat er dan op gerekend werd, dat het kapitaal verloren was op den duur, immers ten slotte de leener in gebreke bleef.

En toen had zij Jan de belofte afgedwongen, dat zij eenvoudig zouden blijven leven, en van de maandelijksche rente een nieuw kapitaaltje vormen, voor geval van nood. Hij had toegegeven, doch zich niet al te veel willen bekrimpen, totdat zij met heen en weer praten besloten hadden zeshonderd gulden per maand onaangeroerd te laten, en zoodanig te beleggen, dat er van gevaar ze te verliezen geen sprake was.

Had dit zijn voordeel in het vooruitzicht van een toekomst zonder zorg, nadeel was een zekere eentonig-

Sluiten