Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

„Aux Mathurins!"

„Jawel, maar we gaan mee."

Het portier van den fiacre loslatend, wendde zich Beenhuis om, en zag bij het licht dat Maxim uitstraalde, de figuren van Arnolds en Wiechen. Eén ondeelbaar oogenblik scheen hij zich te bezinnen.

„Stapt in, heeren," zeide hij toen. „Onderweg praten we even."

De pneu Michelet dempte het geratel der wielen, zoodat men ongehinderd kon spreken.

„Hebt u de wissels bij u ?" vroeg Beenhuis, en op bevestigend antwoord van Wiechen, vervolgde hij: „Ze hadden vandaag moeten zijn aangeboden; maar dat doet er niet toe. — Waar logeeren de heeren ?"

„In 'Des' Pays-Bas" zeide Wiechen.

„Hm," deed Beenhuis, even glimlachend om de zonderlinge aanduiding. „We zullen de zaak morgen samen regelen. Laat eens zien.... tegen half één wacht ik de heeren in den cour van Grand Hotel. Ik moet daar iemand spreken. We gaan dan eerst déjeuneeren."

„Brengt u geld mee?" vroeg Wiechen.

„Ik denk wel. Maar we zijn dicht bij de Mathurins. De heeren nemen den fiacre zeker verder door ?"

Sluiten