Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kerk in het midden te laten, en vijf en twintig percent beschikbaar te stellen, dus „hoogstfatsoenlijk" te zijn.

Nauwelijks had Wiechen hiervan de lucht gekregen, of hij bracht Dr. Arnolds een bezoek.

„Dokter," begon hij, „ik kom als een eenvoudig man, met een eenvoudige vraag. Wat kan ik voor u doen?"

De oude man was ontroerd. In den nood leert men de menschen kennen, en die kennismaking brengt soms wonderlijke verrassingen mee. Van alle creditenren kwam deze man alleen, niet om te klagen, te verwijten, maar om hulp te bieden. Wat een verschil! Hoewel hij de meesten aan de deur had kunnen laten verwijzen aaar zijn curator, was het enkelen toch gelukt tot hem door te dringen. En welke beleedigingen had hij dan moeten slikken. Het woord „oplichten" lag de menschen als in den mond bestorven.

Dat was hatelijk, en misschien nog hatelijker de houding van de vrienden, die hem in staat stelden een accoord aan te bieden. Een daad waarbij zij zoo goed als niets verloren. Zeker, het geld was bijeen gebracht, doch daartegenover stonden zijn inkomsten onder controle. Met pijnlijke nauwgezetheid was uitgerekend wat hij voor zijn huishouden noodig had; al het andere werd door den advocaat der „vrienden" betaald. Hij mocht zijn eigen rekeningen niet meer zenden aan zijn patienten, <]och moest die opgeven aan dien advocaat en den curator, die samen zijn belangen behartigden, en hem er buiten hielden. Natuurlijk werd dat geld in de eerste plaats besteed om de accoordpenningen bijeen te brengen, en bleef van den dienst der vrienden gaandeweg niets over dan een garantie. Daarvoor achtte zich een ieder gerechtigd hem te vermanen, op de wijze als men een stout kind doet. Dat was hard voor iemand op zijn leeftijd, met zijn kunde. Het maakte hem zenuwachtiger dan voorheen de emoties van het hazardspel.

Sluiten