Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XIV.

Dr. Arnolds zat in zijn studeerkamer, toen Boom werd aangediend.

„Wat mankeert eraan?" vroeg hij eenigszins verbaasd, den op het oog volmaakt gezonden jongen man aanziend

„Ik wou gaan trouwen," zeide Boom.

„O, en u wenscht een geneeskundig onderzoek ? Ja, dat doet men tegenwoordig veel, en ik kan het niet kwaad vinden."

„Pardon, dokter. Maar trouwen kost geld."

„Dat zult u toch niet bij mij zoeken?" vroeg de oude man treurig.

„Toch wel." verklaarde Boom. „U is, naar mij destijds uw zoon vertelde, penningmeester van een dames-vereeniging, die gelden voorschiet, als men... nu, 'n zoogenaamde fout repareeren wil. Is dat zoo ?"

„Ja zeker!" riep dr. Arnolds uit. „En u verkeert in dat geval ? Hé, daar wist niets van."

„Mijn meisje komt zelden hier, on dan nog maar voor korten tijd. Zij woont in Berlijn. Uw zoon kent haar heel goed."

„Zoo! Nu, ik denk niet dat er moeielijkheid zal zijn. De vereeniging heeft in langen tijd niets te doen gehad. U begrijpt... men meldt zich niet gaarne aan."

Sluiten