Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beklauterde vlug 't lichte, hooge wagentje. Vader Hans, aan de andere zijde, was er op met een wip, greep losjes de teugels.

„Jij mennen?"

„Graag."

Hij gaf haar de leidsels dan over, keek even toe — hij had 't haar pas geleerd — of ze ze goed in de hand nam en „vooruit dan maar."

„Ikoet toean?" vroeg, naar de buggy opkijkend, de koetsier, schraal Javaantje in een strak khaki-livreitje met witte banden en gladde knoopen van blank metaal.

De Klerk bedacht zich even.

„Nee, blijf jij maar hier."

,,'t Wordt anders wat zwaar voor Wies," verklaarde hij Charlotte, onder 't wegrijden, „ze is er vanmorgen ook al op uit geweest."

Het paard, 'n glimmende, zwarte Australiër was naar z'n dochtertje genoemd. Kittig draafde het, voor het huppelende karretje op z'n hooge, smalle wielen, de oprijlaan uit, en dan, met 'n zwenk, den duisteren landweg op.

„Langzaam-aan maar," vermaande De Klerk, „als je 'm zoo laat draven hebben we er niets aan."

Charlotte hield „Wies" in. De teugels losjes vasthoudend in den schoot, keek ze terzij naar 't lage, groote huis, dat daar een heel eind den tuin inlag. De voorgalerij was verlicht en heel flauw ook de eene zijgalerij, die aan den wegkant, maar achter lag alles donker, logeerpaviljoen en bijgebouwen waren nauwelijks te onderscheiden tusschen de duistere, dichte boomenmassa's van 't ruime achtererf, dat zich uitstrekte tot de rivier toe. In den zwakken schijn der

Sluiten