Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nelly, kon proéven hoe iets in elkaar zat. Meer dan eens had ze 't verhaal gedaan: dat ze eens bijzonder lekkere pasteitjes had meegebracht van den Europeeschen banketbakker uit de stad, dat ze er Kim-Lo een had laten eten en dat de Chinees — na lang en intens proeven, z'n gezicht in strakke aandacht — ze toen precies zoo had na-gebakken. En toch was Kim-Lo de eenige der bedienden, die wel eens last gegeven had. Hij hield er „tinka's" op na, lastige grilletjes. Eens — en hij was toen al eenige jaren in dienst op „Goenong-Djatti" — was hij op 'n dag, zonder eenige aanleiding „lepas" komen vragen. Was hij ontevreden? Had iemand hem gehinderd? Wilde hij opslag? Niets van dit alles was het geweest: hij wou maar weg, omdat z'n „lichaam vermoeid was" en hij lust had te rusten. Drie maanden was hij weggebleven — o, 'n ellendige tijd was dat geweest, één Javaansche, twee Klangaleesche koks, dronkenlappen allebei en de Javaansche roetvuil, waren er gekomen en gegaan, geen keer hadden ze echt-lekker gegeten — toen, op 'n dag, tegen schemering, stond Kim-Lo daar ineenen weer onder de pendoppo, mager en schunnig in de plunje. Nelly, verheugd, had 'm dadelijk weer in dienst genomen en sinds was-ie nu gebleven. Maar „tinka's" had-ie en je moest 'm ontzien.

Kleine Jootje had haar pap opgegeten en de baboe rees met 't kind overeind.

„Nu den tuin in," riep Nelly, „ik heb nog niet eens de orchideeën gezien vandaag .... Hè, wat 's Amelie weer laat. . . . Wiesje, ga jij eens kijken, waar tante blijft."

Wies holde weg, gillend al vooruit, „tante Melie .... tante Melie."

Sluiten