Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

manggaboomen — die stonden op een heuveltje, zoodat de heele weg in 't gezicht lag — 'n tafeltje, makkelijke stoelen en koude dranken laten brengen en in die betrekkelijke koelte zaten ze alle drie in sarong en kabaaj, de haren losjes opgemaakt, al van het ontbijt af. Wies, in haar laag stoeltje, keek prentjes. Er werd niet veel gesproken. Nelly, die zich, gekweld door rooden hond, voortdurend een duimdik onder den bedak hield, zat over haar boek meer te slapen dan te lezen en tusschen Amelie en Charlotte was, na dien avond, een zekere verkoeling gebleven. Zwijgend, t bruine gezicht norsch en gesloten, zat 't nonnaatje een lichtroode ceintuurstrik in mekaar te prutsen, telkens zich de vingers afwisschend met 't kanten zakdoekje, dat ineen gefrommeld lag voor haar op tafel tusschen de dofbeslagen glazen met limonade. Charlotte las. Haar vingers, half-bewust, streelden 't gladde koele mailpapier van Williams laatsten brief, tusschen de bladen van het boek. Toch had die brief haar wel down gemaakt, William wist nog absoluut niet, wanneer hij zou kunnen weerkomen en haar terughalen van „Goenong-Djatti naar huis toe. En Charlotte voelde wat wroeging om haar teleurstelling daarover. Ze had 't toch prettig en gezellig bij Nelly, en, had de dokter haar pas verzekerd, 't verblijf hier was zoo goed voor 't kindje. Haar aanvankelijke sympathie voor De Klerk had zich verstevigd, ze waren heel-goede vrienden nu, er was een hartelijke intimiteit tusschen hen. Sinds dien avond, dat ze den tijger ontmoet hadden, — een handige mandoer had een paar dagen later 't reuzenbeest neergeschoten, de huid was op weg naar Europa, om verwerkt te worden tot 'n divan-kleed, hennnenngs

Sluiten