Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan stond hij nog even, rood en licht-duizelig van 't gebogen staan, stil te bekomen en daarna verder en recht 't pad af, tusschen 't aan weerszijden wardichte en schemer-groene groeisel van om hun groote aantal schrale boomen en varens en vooze parasietplanten, 't riviertje over en opnieuw naar de open plek.

En 't geroep van wilde vogels, soms loofgeritsel als hij er weer, vlak bij zich, een had opgeschrikt, 't doffe koeren van de houtduif, weemoedig en gedempt uit de diepte van het roerlooze bosch, de krijsch van 'n aap, rauw en ontstellend van woeste menschelijkheid, vergezelden hem, waar hij ging, tot hij, uittredend tusschen de boomen, het kleurige kamp der feestvierende gasten weder bereikte.

Hij zag er wanorde en opgewondenheid, z'n voor den dag komen werd met 'n verlucht „eindelijk" van haast allemaal tegelijk begroet. „Zijn ze nou mal?" dacht De Klerk, niet anders vermoedend dan ongerustheid om z'n wegblijven en hij wilde, lachend, z'n geweer toonen, als hij plotseling den huisjongen van Van Nooten in 't oog kreeg, vergezeld van Kolff's eigen bediende, die hem begeleid had naar de plek, waar hij zijn meester en diens gasten wist. De jongen reikte, De Klerk herkennend, hem dadelijk een brief over en hij zag, dat die kwam van „Tanah-Merah" en dat de dokter 't adres had geschreven. Hij voelde zich plotseling ontstellen of 't bloed wegvloeide uit z'n hoofd, omdat hij begreep, dat er iets ergs moest zijn voorgevallen. Er kwam een strakke spanning, omdat ze allemaal z'n verbleeken hadden gezien, en, den huisjongen van Van Nooten niet kennend, vermoedden iets anders en allemaal 't zelfde. En Nelly had 't

Sluiten