Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij bedoelde, was dat gevoel van te willen leiden, besturen, beschermen, — die heerlijke, haast-vorstelijke eerzucht om zoo goed mogelijk te zorgen voor je onderdanen en ieders veiligheid, ieders bezit beschermend, welvaart en rust en geluk om je heen te kweeken. Misschien tot eigen satisfactie vooral, gaf De Klerk toe. Maar die eerzucht, dien hij-zelf in zoo sterke mate bezat, die was dan toch wel van een véél hoogere orde dan de ambitie der meesten, die maar willen lekker-baasje-spelen en alles zetten naar hun hand. Van Nooten had het gevoeld met hem, dat er in hun bedrijf méér zat, een hooger doel, dan gauw-je-rijkboeren, in Holland een villa koopen en rentenieren. In Kolff, nog zoo jong toch, gezond en optimist, was er niets van, van die eerzucht, en 't maakte hem wrevelig 'n beetje.

„Hier gaat 't toch best, hoor!" De Klerk weerlegde nog den ander, maar zonder animo, wèl-overtuigd, dat er tegen zoo een trage onverschilligheid toch niet te redeneeren viel.

Kolff ging er al niet meer op in.

„Mevrouw Van der Hoeff nog altijd op „GoenongDjatti?"

„Nog een .... veertien dagen .... drie weken, dan komt haar man weer terug."

„Wel 'n aardig vrouwtje, wat. . . . ? Om zoo te zien, meen ik, 'n beetje koel anders, dacht ik. Zoo wat stijf?"

„Och," ontweek De Klerk. . . . „je moet ze kennen. Zoo zijn trouwens de meesten.... ze geeft zich niet makkelijk, dat 's zeker .... en niet aan iedereen."

„Enne .... Amelie .... je nichtje Wardenaar?" polste Kolff.

Sluiten