Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te wezen. De halve galerij lag van zonneschijn overplast. Op een langen stoel bij de piano legde stil en hangerig 't kind zich neer.

„Heb je al ontbeten, Wies?" vroeg Nel.

't Kind schudde van nee.

„Pap gegeten bedoel ik."

„Nee ... . 'k lustte niet."

„En gebaad?"

„Ook nog niet."

„Ga dan asjeblieft gauw."

Traag en wonderlijk-gehoorzaam stond 't kind op, liep met kleine stapjes van haar bloote voeten weer terug naar achter.

„Natuurlijk weer veel te druk gespeeld en veel te veel gesnoept gisteren," bitste Amelie. En ze dacht erbij, dat 't een mooie boel ging worden, als Nelly en Dalima — 't oude menschje zou meegaan naar Holland — alleen voor 't kind te zorgen en 't in bedwang te houden hadden. Nelly voelde ook wel de bedoeling der bitse woorden en ze zweeg, wat zorgelijk. Ja, met 't oog op Wiesje ook zou ze Amelie wel missen, 't Kind kon zoo bar-ongezeggelijk wezen. Ze was nu nog steeds bezig aan „Ellen Key." Er stonden, had mevrouw Van Houweningen haar verzekerd, zulke verstandige dingen in. Mogelijk, maar zij kon 't niet uitkrijgen. Ze viel er telkens over in slaap. Enfin, 't moest dan maar gaan, zooals 't ging, ze zou alvast eens beginnen met Wies wat strenger aan te pakken.

„Zie je er niet erg tegen op ?" spotte Amelie, zelf 't gevaarlijke onderwerp aanroerend.

„Och," ontweek de ander.

Ze kauwden weer over de krant.

Sluiten