Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

man en vrouw kan samen-zien in voortdurende goede kameraadschap, zonder te denken , . . . Wat ze dacht, de nonna, was 'm onverschillig, . . . als ze 't maar niet in haar hoofd haalde, Nelly met geniepige toespelingen en halve woorden.... Enfin, z'n vrouw was een groot kind, hij zou 't onmiddellijk weten. En dan, driftigde het weer feller in hem op, dan ging ze ook onmiddellijk de laan uit. Waar naartoe, hèm onverschillig. Meer dan genoeg had-ie van die gluiperige, manzieke nonna, die geen trots bezat en geen eergevoel. Hij had haar indertijd om Nelly in huis genomen en was er haar blijven dulden. Zéker, er waren wel tijden geweest, dat z'n medelijden 't won van z'n antipathie, dat hij oppervlakkig-vriendelijk en goedig met haar had kunnen omgaan. Maar na die geschiedenis met Kolff! En nu hij-zelf zoo nerveus was den laatsten tijd, en zoo prikkelbaar. Z'n wrevel was óók tegen de nonna, omdat die kans zag, hem voortdurend te prikkelen, — tegen z'n naar rustige rechtvaardigheid neigenden aard in — tot nijdigheid, onredelijkheid soms. Want uitingen, manieren had Amelie, de laatste weken, die ze nooit gehad had, en waarmee ze blijkbaar wist, hem woedend te kunnen maken.

Charlotte sprong op, tipte de vingers in de kom naast haar bord, droogde ze snel aan haar servet.

„Klaar."

Ze gingen.

Als dag-licht lag voor hen uit den tuin in vollen maanglans, wanneer ze 't bordes aftraden en instegen.

„Naar Pertjoen?" stelde De Klerk voor.

Charlotte aarzelde even. „Zou 't niet te ver zijn ?"

„We kunnen immers omkeeren, wanneer we willen. De weg is zoo mooi en recht daarheen. En je kunt

Sluiten