Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze hem moest spreken, nu de gelegenheid zoo grif zich aanbood.

't Duurde toch eenige oogenblikken voor ze een woord eruit kon brengen. Greidanus voelde zich in de klem, stamelde verlegen:

— Je wist het toch al is niet?

— Hoe zou ik 't weten? snerpte ze met gesmoorde stem. Je hebt wel gezorgd, dat ik niets ervan hoorde.

— Dat kon nu eenmaal niet anders, 't moest wel, verontschuldigde hij zich. Je zult toch geen roet in 't eten gooien.

— Bah, zei ze verachtelijk, waar denk je aan?

— t Zou je ook niet geraden zijn, brutaalde hij nu ineens.

Ze hief haar fijngevormd hoofd op, overkeek hem met een smadelijke trek, zonder te antwoorden. En die blik zei hem, dat hij niet bevreesd hoefde te wezen, maar dat zij 't nog minder was. Ineens voelde hij heftig in haar de vrouw van karakter, afstammeling van verfijnd maar nog sterk-fier ras, die zich wel een oogenblik kan vergeten, maar zich altijd weet te herwinnen.

Hij sloeg de oogen neer, prevelde:

— M'n God, 't kon zoo niet blijven.

Sluiten